Einde inhoudsopgave
Beleidsbepaling en aansprakelijkheid (VDHI nr. 170) 2021/6.7
6.7 De CV volgens het Ambtelijk Voorontwerp
J.E. van Nuland, datum 21-09-2020
- Datum
21-09-2020
- Auteur
J.E. van Nuland
- JCDI
JCDI:ADS254467:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Toelichting, p. 5.
Toelichting, p. 7.
Zie artikel 7:800 Ambtelijk Voorontwerp, waarover Toelichting, p. 18-20.
Toelichting, p. 73.
Zie artikel 7:803 Ambtelijk Voorontwerp en Toelichting, p. 8 en 9.
Zie artikel 7:803 lid 1 Ambtelijk Voorontwerp en Toelichting, p. 10 en het praktijkvoorbeeld op p. 12.
Toelichting, p. 74.
Vgl. artikel 4 lid 3 zoals door de Werkgroep voorgesteld, waarin de commanditaire vennootschap expliciet wordt aangeduid als de ‘de openbare vennootschap’.
Zie artikel 7:821 lid 5.
Toelichting, p. 28.
Toelichting, p. 29.
Zie artikel 7:804 lid 3, eerste zin jo. 7:821 lid 5.
Toelichting, p. 75.
Toelichting, p. 29.
Toelichting, p. 76.
Op p. 77 van de Toelichting lijkt de wetgever slechts te het naamgevingsverbod voor ogen te hebben.
Op grond van deze bepaling zijn alleen artikelen 802 lid 2, 804 leden 1-2, lid 3 eerste zin, lid 5, 805, 806 leden 1 tot en met 5, 807, 810-814 van Afdeling 1 van toepassing op de commanditaire vennoot.
Zie over vertegenwoordiging in het Voorontwerp meer uitgebreid Van der Waals 2019, p. 612-617.
Toelichting, p. 40.
Toelichting, p. 40.
Toelichting, p. 30.
Algemeen, omdat ik de bijzondere regel van het voorgestelde 7:809 lid 2 betreffende aansprakelijkheid voor een door de vennootschap aangenomen opdracht hier onbesproken laat.
Zie artikel 19 lid 2 van het Rapport en p. 93.
Vgl. Toelichting, p. 41.
Toelichting, p. 41.
Toelichting, p. 43.
Vgl. Asser/Rensen 2-III 2017/23 over en Overes in GS Rechtspersonen, artikel 2:230 lid 4 BW, aant. 4, op welke bepaling de tweede volzin van artikel 7:809 lid 1 is gebaseerd, zie Toelichting, p. 41.
Daarmee breekt het Ambtelijk Voorontwerp met het geldende recht, zoals dat werd bevestigd in HR 13 maart 2015, NJ 2015, 241, m.nt. Van Schilfgaarde (Carlande) en wordt toegekomen aan de kritiek uit de praktijk, zie Toelichting, p. 46-47.
Zie Toelichting, p. 47-48.
Toelichting, p. 49.
Het initiatief van de Werkgroep vormt in belangrijke mate de basis voor het Ambtelijk Voorontwerp. De wetgever beoogt ondernemerschap te faciliteren en zekerheid te bieden aan het handelsverkeer. Evenals de Werkgroep wil hij voorzien in een passende bescherming voor zowel de vennoten als derden die met de vennootschap handelen.1 Waar de Werkgroep de drie vormen van personenvennootschap wenst te behouden, worden in het Ambtelijk Voorontwerp slechts twee vormen onderscheiden: vennootschap en commanditaire vennootschap. Beide vormen kunnen zowel voor beroeps- als bedrijfsactiviteiten worden gebruikt.2 De hier bedoelde vennootschap heeft dezelfde kernelementen als onder het huidige recht: een overeenkomst tot samenwerking gericht op de uitoefening van een beroep of bedrijf met inbreng door ieder van de vennoten met het oogmerk voordeel te behalen en dit met elkaar te delen.3 Artikel 7:820 beschrijft de CV vervolgens als ‘de vennootschap waaraan naast een vennoot een commanditaire vennoot deelneemt, die niet verbonden is voor de verbintenissen van de vennootschap jegens derden’. Een wat ongelukkige definitie die reeds in de toelichting noopt tot de opmerking dat er ook meerdere commanditaire vennoten kunnen deelnemen.4 Het spreekt voor zich dat hetzelfde zal gelden ten aanzien van de (gewone) vennoot. De toelichting lijkt vervolgens enige verwarring te scheppen door de CV te beschrijven als ‘de ingeschreven vennootschap’, terwijl uit geen van de voorgestelde bepalingen blijkt dat inschrijving vereist is voor het bestaan van de commanditaire vennootschap. Sterker nog, inschrijving is zelfs niet vereist voor de verkrijging van rechtspersoonlijkheid, zoals de Werkgroep voorstelde, maar uitsluitend voor de vraag of de personenvennootschap registergoederen kan verkrijgen en erfgenaam kan zijn.5 In het Ambtelijk Voorontwerp heeft de CV simpelweg rechtspersoonlijkheid, zij het met een beperkte rechtsbevoegdheid.6 Inschrijving van een CV blijkt noodzakelijk om een andere reden: alleen een ingeschreven commanditaire vennootschap kan bestaan. De wetgever vindt dat derden bij niet-inschrijving van de vennootschap ervan uit moeten kunnen gaan dat alle vennoten zonder beperking kunnen worden aangesproken. Zonder inschrijving is elke vennoot volledig aansprakelijk en kan er ook geen commanditaire vennoot zijn, aldus de Toelichting.7 Dit laatste volgt, zo neem ik aan, uit artikel 7:809 lid 5. Daarin is bepaald dat vennoten van een vennootschap die niet is ingeschreven in het handelsregister en die op een voor derden kenbare wijze onder een door haar gevoerde naam aan het rechtsverkeer deelneemt, zonder beperking naast de vennootschap hoofdelijk verbonden zijn voor verbintenissen jegens derden, tenzij de derde wist van zodanige beperking. Het verdient in ieder geval aanbeveling deze noodzakelijkheid van inschrijving in de beschrijving van de commanditaire vennootschap te laten terugkomen.8
Het bestuur van de vennootschap geschiedt door de vennoten gezamenlijk (artikel 7:804 lid 1). Deze bepaling geldt uitdrukkelijk ook voor de commanditaire vennootschap.9 De wetgever sluit daarmee aan bij het voorstel van de Werkgroep.10 Afwijking in de overeenkomst van vennootschap is mogelijk, zodat de bestuursbevoegdheid van een of meer vennoten kan worden beperkt of aan derden kan worden opgedragen.11 Ook de commanditaire vennoten nemen dus deel aan het bestuur, tenzij partijen anders bepalen. Bovendien vereisen alle rechtshandelingen namens de CV óók de instemming van de commanditaire vennoot.12 Het lijkt erop dat evenzeer kan worden overeengekomen dat de bestuurstaak uitsluitend aan een of meer commanditaire toekomt; onder de vigeur van het Ambtelijk Voorontwerp is de commanditaire vennoot (in beginsel) slechts uitgesloten van de bevoegdheid om rechtshandelingen in naam van de vennootschap te verrichten.13 Dat sluit aan bij het voorstel van de Werkgroep. De Toelichting is op dit punt echter onduidelijk, omdat het uitgangspunt van gezamenlijk bestuur mede wordt gerelateerd aan de omstandigheid dat de vennoten ook gezamenlijk aansprakelijk worden voor verbintenissen die de vennootschap aangaat.14 Bovendien bevat artikel 7:804 betreffende het bestuur van de vennootschap in lid 3 een uitzondering op de gezamenlijke bestuursbevoegdheid, namelijk voor het verrichten van rechtshandelingen die tot de normale bedrijfsuitoefening horen en die geen uitstel kunnen leiden. Intern en extern handelen worden zodoende onvoldoende van elkaar onderscheiden. De Werkgroep deed dat overigens – terecht – wel (zie artikel 18). Diezelfde verwarring creëert de wetgever in de Toelichting bij 7:822 lid 2. Daar wordt enerzijds overwogen dat de commanditaire vennoot geen rechtshandelingen mag verrichten op naam van de vennootschap. Anderzijds staat deze regel er niet aan in de weg dat de commanditaire vennoot op basis van afspraken tussen de vennoten onderling alsnog bepaalde interne zeggenschap over de CV kan hebben.15 Daarmee wordt ten onrechte de indruk gewekt dat de commanditaire vennoot intern geen zeggenschap heeft en zelfs dat een volmacht dat alsnog zou kunnen bewerkstelligen. Anders dan de Werkgroep overweegt de wetgever in de Toelichting ook niet uitdrukkelijk dat het bestuur slechts uit commanditaire vennoten kan bestaan. Er wordt evenmin iets gezegd over de (eventuele) afschaffing van het bestuursverbod.16 Ten slotte schept de Toelichting op dit punt verwarring door te verklaren dat artikel 7:821 lid 517 er niet aan in de weg staat dat de commanditaire vennoot op basis van de vennootschapsovereenkomst invloed of inspraak op de besluitvorming – aangeduid als ‘interne zeggenschap’ – kan hebben. Die opmerking is geenszins te verklaren indien alle vennoten inderdaad het bestuur van de vennootschap vormen, waaronder ook uitdrukkelijk de commanditaire vennoot is te verstaan. Het uitgangspunt is dan immers juist dat de commanditaire vennoot invloed of inspraak op de besluitvorming heeft; hij stemt immers mee! Het resultaat van voornoemde redactie en (het gebrek aan samenhang in) de Toelichting is dat de rol van de commanditaire vennoot bij het bestuur van de vennootschap onduidelijk blijft.
Vertegenwoordiging van de vennootschap is geregeld in artikel 7:808.18 Daarin is bepaald dat iedere vennoot bevoegd is de vennootschap te vertegenwoordigen, overigens ongeacht of de vennootschap is ingeschreven.19 Beperking of ontneming van de vertegenwoordigingsbevoegdheid is op gelijke wijze als naar huidig recht mogelijk. De bepaling expliciteert dat deze in het handelsregister moeten worden ingeschreven om jegens derden te kunnen worden ingeroepen. Uitsluitend de vennootschap kan een beroep doen op deze ingeschreven beperkingen. Bij gebrek aan inschrijving hebben overeengekomen beperkingen of voorwaarden slechts interne werking.20 Hiervoor bleek reeds dat ook artikel 7:804 een tweetal vertegenwoordigingsregels bevat. Handelingen die tot de normale bedrijfsuitoefening horen of geen uitstel kunnen leiden, kunnen door de vennoten worden verricht zonder dat alle vennoten daarmee hebben ingestemd, zulks in afwijking van het uitgangspunt dat alle vennoten moeten instemmen met handelingen die voor rekening van de vennootschap komen.21 Dat betekent mijns inziens dat beperkt bevoegde vennoten de vennootschap in die gevallen niet alleen steeds extern kunnen binden, maar deze handelingen – ondanks een overeengekomen beperking of voorwaarde – ook intern voor rekening van de vennootschap kunnen laten komen. In zoverre doorkruist artikel 7:806 dan artikel 7:808.
Ten slotte nog de algemene aansprakelijkheid van de vennoten.22 Ingevolge artikel 7:809 lid 1 zijn de vennoten jegens derden naast de vennootschap hoofdelijk verbonden voor verbintenissen van de vennootschap. De aansprakelijkheid voor gelijke delen, zoals we die thans voor de maatschap kennen, verdwijnt met het Ambtelijk Voorontwerp van het toneel. De Werkgroep pleitte voor behoud van deze ‘beperkte’ aansprakelijkheid bij gebrek aan voldoende aanleiding om de aansprakelijkheid van maten te verzwaren.23 Die opvatting past evenwel niet in systeem van het Ambtelijk Voorontwerp, waarin het onderscheid tussen maatschap en vennootschap onder firma volledig wordt verlaten.24 Deze aansprakelijkheid beperkt zich niet tot verbintenissen uit rechtshandeling, maar ziet ook op verbintenissen uit de wet en, in het bijzonder, uit onrechtmatige daad.25 Ter bescherming van de vennoten wordt geopteerd voor een subsidiaire aansprakelijkheid, die volgt uit de tweede volzin van artikel 7:809 lid 1. Vennoten – van een inschreven vennootschap – zijn slechts aansprakelijk voor zover de wederpartij aannemelijk maakt dat de vennootschap niet aan de verbintenis zal voldoen. Hiermee is blijkens de Toelichting bedoeld dat de vennootschap ofwel geen verhaal biedt ofwel aannemelijk is dat deze geen verhaal zal bieden. Aan dat vereiste zal onder andere zijn voldaan indien de vennootschap niet reageert op een aanmaning.26 Ik zou menen dat het gebrek aan verhaalsmogelijkheden voor de schuldeiser niet aanstonds vaststaat als de vennootschap niet reageert op een aanmaning. Het voorbeeld sluit daarentegen wel aan bij de voorgestelde wettekst, namelijk de aannemelijkheid dat de vennootschap niet zal nakomen. De verwijzing naar verhaalsmogelijkheden in de Toelichting schept mijns inziens verwarring. Waar het om zal gaan is dat de schuldeiser aannemelijk zal moeten maken dat de vennootschap ofwel niet kan nakomen ofwel niet zal kunnen nakomen.27 De aansprakelijkheid van de vennoten wordt door het derde lid verder beperkt tot de verbintenissen die zijn ontstaan na hun toetreden. Een voorstel dat weinig toelichting behoeft.28 Het vierde lid beperkt de aansprakelijkheid van een uitgetreden vennoot, namelijk in beginsel tot vijf jaar na diens uittreden te rekenen vanaf de datum van de uitschrijving van de desbetreffende vennoot.29 Het vijfde lid van artikel 7:809 geeft nog een afzonderlijke regeling over de aansprakelijkheid van de vennoten van een vennootschap die op een voor derde duidelijke kenbare wijze aan het rechtsverkeer deelneemt, indien deze niet is ingeschreven. In dat geval zijn zij zonder beperking naast de vennootschap hoofdelijk verbonden voor verbintenissen jegens derden, tenzij de derde van een zodanige beperking wist. De beperkende regels van de leden 1 tot en met 4 zijn op deze vennoten niet van toepassing.30
6.7.1 Bijzondere kenmerken van de commanditaire vennoot