Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/0.6
0.6 De (verdere) afbakening van deze studie
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS579041:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
De zinsnede 'toelaten tot de handel' heeft een ruimere betekenis dan 'toelaten tot de (officiële) notering'. Ik kom hierop terug in hoofdstuk 13.
Met effectenbeurzen — exploitanten van effectenmarkten — doel ik derhalve niet alleen op de (exploitanten van een) in art. 1:1 Wft gedefinieerde 'gereglementeerde markt', maar ook op de (exploitanten van een) multilaterale handelsfaciliteit als bedoeld in art. 1:1 Wft, alsmede de daarmee vergelijkbare systemen die buiten de Europese Unie werkzaam zijn.
De effectenmarkt kan worden onderscheiden in de zogenoemde 'primaire markt' en de 'secundaire markt'. De eerstgenoemde markt wordt doorgaans omschreven als 'de markt voor nieuw uit te geven effecten' (aldus Van Dijk (2002a), op p. 101), resp. als 'de markt voor effecten die nog niet eerder verkrijgbaar en verhandeld werden' (Schreuder (2007), p. 303). Dezelfde auteurs omschrijven de secundaire effectenmarkt als 'de markt waarop eerder — in de primaire markt — uitgegeven effecten worden verhandeld' (Van Dijk (2002), p. 101) of 'de handel in effecten die reeds eerder zijn uitgegeven en geplaatst' (Schreuder (2007), p. 303 en 305). Hoewel voor de toepasselijkheid van het Nederlandse effectenrecht het aangrijpingspunt strikt genomen niet het 'uitgeven' of 'plaatsen' van effecten is maar het '(aan het publiek) aanbieden van effecten' of 'het (doen) toelaten van effecten tot de handel op een gereglementeerde markt', zal ook in deze studie de gebruikelijke terminologie van 'primaire' en 'secundaire' '(effecten)markt' gebezigd worden.
De IAS zijn de internationale standaarden voor de financiële verslaggeving die tot 2001 zijn uitgevaardigd door de IASC. De IASC is eind december 2000 omgedoopt tot de IASB. De IASB heeft de IAS van het IASC overgenomen, maar alle sindsdien door de IASB vastgestelde standaarden worden IFRS genoemd. Hierover meer uitgebreid Van der Tas (2000) en (2003), p. 68-70, en E.A. de Jong (2002), p. 364-365.
Een voorbeeld daarvan is Verordening (EG) nr. 2086/2004.
Bespreking van in het vennootschapsrecht of in het burgerlijk procesrecht opgenomen mogelijkheden om (het bestuur van) (beurs)vennootschappen te dwingen tot het verstrekken van informatie valt om die reden buiten het bestek van deze studie. Zie hierover uitvoerig Vletter-van Dort (2001), p. 61 e.v. alsmede Van der Korst (2007), p. 87-108 en p. 145 e.v.
Zie voor een afbakening langs andere lijnen: Van der Korst (2007), p. 7. In deze studie komt aan de begrippen 'openbaar maken', 'algemeen verkrijgbaar stellen' en 'publiceren' van informatie in beginsel eenzelfde, gelijkluidende betekenis toe. Zij zijn gebezigd in de betekenis zoals die in het dagelijks taalgebruik aan deze begrippen wordt toegekend. De begrippen worden om die reden in deze studie als uitwisselbaar beschouwd en dooreen gebruikt. Een uitzondering daarop vormen situaties waarin aan één van de begrippen een specifieke juridische betekenis toekomt. Indien daarvan sprake is gebruik ik het desbetreffende begrip.
Vgl. bijvb. Nieuwe Weme/Stevens (2008), p. 176-178. Zij omschrijven een drietal indelingen, namelijk aan de hand van de normadressaat ('op wie rust de publicatieverplichting'), op basis van de soort markt ('primaire danwel secundaire markt') en het moment waarop de publicatieverplichting ontstaat ('initieel, periodiek en incidenteel').
Dit brengt mee dat ik geen aandacht besteed aan de ook op niet-beursvennootschappen toepasselijke publicatieverplichtingen die verband houden met de oprichting, omzetting of juridische fusie of splitsing van een vennootschap. Zie hierover o.a. Verbrugh (2007), p. 67 e.v.
Zie hierover meer uitgebreid hoofdstuk 3.
Zie ook NYSE Euronext Amsterdam Notice 2009-002 van 25 juni 2009 (http://www.euronext.com/fic/000/049/884/498844.pdf). Daarin is, kort gezegd, aangekondigd dat als gevolg van de implementatie van de Transparantierichtlijn in de Wft, per 1 juli 2009 in Rule Book II een groot aantal publicatieverplichtingen is komen te vervallen.
Hierover Lambooy (2004) en (2006), met verdere verwijzingen.
Zo is immers slechts een beperkt deel van de beursvennootschappen tegelijkertijd ook een 'financiële onderneming' in de zin van art. 1:1 Wft. Zie over de informatieverplichtingen van dergelijke ondernemingen het preadvies van 't Hart/Du Perron (2006), alsmede de bespreking daarvan door Van Boom e.a. (2007). Dat, meer in algemene zin, betwijfeld kan worden of de systematiek van de Wft — kort gezegd als wet die in de kern voorziet in toezicht op financiële ondernemingen — wel passend is voor de regulering van uitgevende instellingen, heb ik reeds betoogd in Hijink (2007c).
Hierover VreeburgNan der Zanden (2007). Zie hierover ook de consultatie van CESR de Committee of European Securities Regulators, het Europees Comité voor effecten-regelgevers — van 27 oktober 2009, 'The Use of a Standard Reporting Format for Financial Reporting of Issuers Having Securities Admitted to Trading on Regulated Markets', (CESR/09-859; te vinden op http://www.cesr.eu/popup2.php?id=6147). Meer over CESR in hoofdstuk 1, § 3.1.
In deze studie doel ik met de term "beursvennootschappen" op vennootschappen waarvan effecten — aandelen, obligaties of certificaten daarvan1 — tot de handel2 van een effectenbeurs zijn toegelaten. Het begrip "vennootschap(pen)" heeft daarbij een neutrale lading. Dat houdt in dat hieronder niet alleen Nederlandse naamloze (en eventueel besloten) vennootschappen vallen, maar ook daarmee vergelijkbare privaatrechtelijke rechtsfiguren naar buitenlands recht. Indien uitsluitend een statutair in Nederland gevestigde beursvennootschap wordt bedoeld, wordt de term "beursvennootschap" voorafgegaan door het adjectief "Nederlandse".
Het begrip "effectenbeurs"3 ziet op organisaties die hun onderneming maken van het houden van een effectenmarkt — een markt die aan regels is onderworpen en die bestemd is voor het bijeenbrengen van vraag en aanbod van effecten.4
Met de voor beursvennootschappen geldende "publicatieverplichtingen" doel ik op de in wet- en regelgeving opgenomen voorschriften die inhouden dat een beursvennootschap op vooraf kenbare momenten, zoals op voorhand omschreven tijdstippen of wanneer zich vooraf omschreven gebeurtenissen voordoen, informatie over zichzelf of de door haar gedreven onderneming(en) publiekelijk bekend dient te maken. Het omvat zowel de voorschriften omtrent de soort informatie die gepubliceerd dient te worden, de inrichtingsvoorschriften die daarvoor gelden, als voorschriften over het moment waarop dit dient te gebeuren. Wat de inrichtingsvoorschriften van de door beursvennootschappen te publiceren informatie betreft, is een belangrijke rol weggelegd voor de internationale financiële verslaggevingsregels. Deze voorschriften worden in deze studie aangeduid als "IFRS", ook indien strikt genomen sprake is van (een) IAS.5 Hierop is een uitzondering gemaakt wanneer een specifieke verslaggevingstandaard door de Europese Commissie is "goedgekeurd" als "IAS" en als zodanig als verordening is vastgesteld.6
Het begrip "publicatieverplichting" zoals dat in deze studie wordt gebruikt, ziet (slechts) op verplichtingen voor beursvennootschappen die rechtstreeks uit de wet- en regelgeving voortvloeien. De omschrijving ziet derhalve niet op informatieverplichtingen die voor beursvennootschappen kunnen ontstaan op grond van art. 8 van Boek 2 BW of door rechterlijke tussenkomst worden afgedwongen.7 Het element "publiekelijk bekend maken" maakt daarnaast duidelijk dat het gaat om het verstrekken van informatie aan een brede, voorafgaand niet afgebakende, groep van personen. Die groep kan in potentie eenieder omvatten.8
De op beursvennootschappen toepasselijke publicatieverplichtingen kunnen op verschillende manieren worden ingedeeld.9 Het vertrekpunt in deze studie is bespreking van de publicatieverplichtingen waaraan alle beursvennootschappen onderworpen (kunnen) zijn, maar niet bespreking van alle publicatieverplichtingen die voor beursvennootschappen (kunnen) gelden.10 Vervolgens is, zoals in de opbouw van Deel IV tot uitdrukking komt, daarbinnen een onderverdeling gemaakt in generiek geldende verplichtingen — de initiële publicatieverplichting bij het betreden van de effectenmarkt en de periodieke publicatieverplichtingen en incidentele publicatieverplichtingen. Binnen deze laatste categorie publicatieverplichtingen onderscheid ik de verplichting om koersgevoelige informatie te publiceren, de publicatieverplichtingen die verband houden met openbare overnamebiedingen en publicatieverplichtingen omtrent wijzigingen van de zeggenschapsverhoudingen.
In deze studie wordt afwisselend gesproken over aandeelhouder(s), kapitaalverschaffer(s) en andere investeerders. Met "aandeelhouder(s)" doel ik (slechts) op de houder(s) van aandelen van de beursvennootschap. Met "kapitaalverschaffers" — hoewel tekstueel niet helemaal zuiver — wordt gedoeld op verschaffer(s) van "eigen vermogen": dat wil zeggen: aandeelhouder(s) en houder(s) van bewilligde certificaten van aandelen. Wanneer ik over "investeerder())" spreek, is de ruimste categorie bedoeld: de houder(s) van obligaties, aandelen of (bewilligde) certificaten daarvan.
Ten slotte zal, om uiteenlopende redenen, in deze studie een aantal onderwerpen dat gerelateerd is aan het onderwerp "publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen" niet of nauwelijks aan de orde komen. Zo besteed ik in deze studie slechts zeer beperkt aandacht aan de publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen die voortvloeien uit de regelgeving van de door NYSE Euronext gehouden Euronext Amsterdam Stock Market. De reden daarvoor is dat de omvang van deze verplichtingen sterk is afgenomen, vanwege de implementatie van de Richtlijn Marktmisbruik en de Prospectusrichtlijn in uiteindelijk — de Wft.11 De relevantie van de regelgeving van Euronext Amsterdam voor beursvennootschappen is bovendien sinds 1 januari 2009 verder afgenomen, als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet tot implementatie van de Transparantierichtlijn in de Nederlandse wet- en regelgeving.12 Hierdoor is (ook) het belang van deze bron van regelgeving voor deze studie (verder) afgenomen en kan bespreking van deze regelgeving achterwege blijven. Evenmin besteed ik aandacht aan publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen gericht op het onderwerp "maatschappelijk verantwoord ondernemen" en aan het onderwerp "duurzaamheidsverslaggeving". Eén van de redenen hiervoor is dat dit onderwerp niet alleen relevant is voor beursvennootschappen, maar tevens voor een grote verscheidenheid aan andere vennootschappen en rechtspersonen.13 Deels om dezelfde reden laat ik ook het onderwerp "informatieverstrekking aan consumenten" en de informatieverplichtingen van financiële ondernemingen in verband met het aanbieden van financiële producten rusten.14 Ten slotte valt bespreking van het onderwerp XBRL, ondanks de te verwachten gevolgen van de ontwikkeling van deze "standaardtaal" voor de financiële verslaggeving van (beurs)vennootschappen, buiten het bestek van deze studie.15
Het onderzoek is afgesloten op 31 december 2009. Met (concept)wetgeving, jurisprudentie en literatuur die dateert van na die datum is, op een sporadische uitzondering na, geen rekening gehouden.