Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/12.5.9
12.5.9 Bij de splitsing wordt een negatieve winst behaald
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491808:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over het onderscheid tussen subject- en objectgebonden fiscale aanspraken de onderdelen 11.3.11.5 en 12.6.3.
Vóór 2001 was fiscale facilitering op de voet van het toenmalige art. 14a Wet VPB 1969 alleen mogelijk wanneer als gevolg van de splitsing positieve winst werd behaald. Zie ook de Brief van 1 april 1998, V-N 1998/18.15, onderdeel 8. Ontbrak positieve splitsingswinst, dan gingen de (eventueel aanwezige) verliesaanspraken van een zuiver splitsende rechtspersoon verloren. Om dat draconische gevolg terug te draaien, was in een beleidsbesluit geregeld dat de verliezen van de zuivere splitser onder voorwaarden toch konden overgaan naar de verkrijger(s). Zie het Beleidsbesluit BNB 2000/293. Door de gestelde voorwaarden was in materieel opzicht sprake van een fiscaal gefaciliteerde splitsing. De huidige wetssystematiek is (veel) efficiënter vormgegeven.
Zie onderdeel 9.5. In onderdeel 12.6 staan de regels over fiscale aanspraken centraal en kom ik hierop terug.
De gekozen benadering is daarbij als volgt. De splitsingspartners kunnen kiezen voor een fiscaal gefaciliteerde splitsing. Daarbij kunnen de subjectgebonden fiscale aanspraken zoals verliesaanspraken van de zuivere splitser op verzoek worden meegegeven aan de verkrijger(s). Zie onderdeel 11.4.4.2. Als dat gebeurt, gelden bij de verkrijger(s) standaardvoorwaarden met het oog op de verrekening van die aanspraken na het splitsingstijdstip.
Van den Brande-Boomsluiter 2004, onderdeel 5.5.3, p. 184, denkt hier met betrekking tot bedrijfsfusies anders over. Zie hierover nader onderdeel 12.6.4.4, waarin ik pleit voor een systematiek waarin (onder meer) verliesaanspraken van de afsplitser in het geval van een fiscaal begeleide afsplitsing onder omstandigheden kunnen overgaan naar de verkrijger(s).
Zie bijvoorbeeld het Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 3.2 (zuivere splitsing). Vgl. ook onderdeel 11.3.10. De Vries, WFR 2015/526, onderdeel 3, werpt de vraag op waarom de staatssecretaris zich beroept op de eis dat de latere heffing moet zijn verzekerd en niet verwijst naar het delegatiekader van art. 14a, lid 5, Wet VPB 1969, op grond waarvan nadere voorwaarden kunnen worden gesteld. Het antwoord op die vraag ligt volgens mij besloten in de wetssystematiek. Wordt namelijk voldaan aan alle eisen voor de wettelijke doorschuifregeling, dan komt de doorschuifregeling op verzoek niet in beeld en gelden geen standaardvoorwaarden. Met het standpunt dat de latere heffing mogelijk niet is verzekerd, is een ingang gecreëerd om nadere standaardvoorwaarden aan de fiscale begeleiding te (kunnen) verbinden. Zie over deze wetssystematiek ook Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3. p. 54. Zie ook Van der Burgt, Cursus Belastingrecht VPB, onderdeel 2.6.0.C.c1 (bijgewerkt 12-1-2021).
Zie onderdeel 12.6.5.4.
Normaal gesproken zullen de splitsingspartners kiezen voor een fiscaal gefaciliteerde splitsing om daarmee te voorkomen dat de splitsende rechtspersoon moet afrekenen over de splitsingswinst. Het is echter ook denkbaar dat het splitsingsresultaat nihil of negatief is. Ook in die gevallen kan de splitsing fiscaal begeleid tot stand komen.1 Hoewel dat op het eerste gezicht wellicht vreemd overkomt, is dat bij nadere beschouwing – in elk geval voor zuivere splitsingen – mijns inziens goed te begrijpen. Bij een zuivere splitsing houdt de splitsende rechtspersoon namelijk op te bestaan. Indien fiscale facilitering onmogelijk is wanneer splitsingswinst ontbreekt, zouden de (eventueel aanwezige) subjectgebonden fiscale aanspraken waaronder verliesaanspraken van deze splitser verloren gaan.2 Dat zou voor de splitsingspartners een reden kunnen zijn om een – overigens wenselijke – splitsing (vooralsnog) niet uit te voeren.3 Een dergelijke (potentiële) belemmering verhoudt zich niet met fiscaal-theoretische toets.4 Het is daarom naar mijn mening terecht dat de fiscale wetgever die mogelijke gevolgen in de kiem heeft gesmoord.5 Wordt bij een afsplitsing geen positieve winst behaald, dan dreigt niet het acute gevaar dat subjectgebonden fiscale aanspraken zoals verliezen verloren gaan. Dergelijke fiscale aanspraken van de afsplitser blijven immers volgens het huidige recht bij dat lichaam achter. Desondanks is fiscale facilitering ook dan mogelijk. Ik vermoed dat de wetgever het niet wenselijk vond om op dit punt een onderscheid te maken tussen een zuivere splitsing en een afsplitsing.6 Ik kan mij daar goed in vinden.7
Als sprake is van een negatief splitsingsresultaat, kan de toegang tot de wettelijke doorschuifregeling geblokkeerd zijn omdat de latere heffing mogelijk niet is verzekerd.8 Omdat dit onderwerp zeer nauw verwant is aan de verrekening van verliesaanspraken, kom ik hier verderop in dit onderzoek op terug.9