Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/5.2
5.2 BEELDVORMING EN GEZAG VAN DE RECHTSPRAAK
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS617865:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Bij de behandeling in de Tweede Kamer van de Wet vormverzuimen wees de minister van Justitie al op het verschil tussen het bij de samenleving bestaande beeld en de werkelijkheid waar het gaat om de frequentie en de ernst van de gevolgen van vormfouten. Zie: Kamerstukken II, 16 maart 1995, p. 59-3619 en 12 september 1995, p. 38-1476.
Zie: Eurobarometer 2013. Op de vraag of men geneigd is het het rechtssysteem ‘overall’ al dan niet te vertrouwen antwoordt 70% van de Nederlanders positief, afgezet tegen een Europees gemiddelde van 53%.
Zie: SCP 2012, p. 9. Zie ook A.A. Franken in een interview in De Pers van 6 oktober 2010 onder de kop ‘Het tijdperk van Swiebertje is voorbij’, p. 9: ‘Het idee bestaat wel eens dat verdachten vrijuit gaan door vormfouten, maar dat is grote onzin als je de rechtspraak bestudeert. Als het OM zijn werk niet netjes heeft gedaan zijn er talloze mogelijkheden om de bezwaren daartegen weg te wuiven.’
Ministerie van Justitie 2007, p. 22.
Van Ruth e.a. 1994.
Buruma 2011, p. 69-70.
Zie bijv. de brief van de minister van Justitie aan de voorzitter van de Tweede Kamer van 20 mei 2010 betreffende het feitenonderzoek dat is verricht naar aanleiding van een uitzending van tv-programma Zembla met als titel ‘Officieren van Justitie in de fout’: Kamerstukken II, 2009/10, 29 279, nr. 110.
Van Bennekom 2010, p. 33.
Vormfouten hebben het imago van de rechtspraak geen goed gedaan. Nog steeds1 heerst in de samenleving het beeld dat vormverzuimen veel voorkomen en vaak tot een zeer gunstige uitspraak voor de verdachte leiden, ook al is de praktijk inmiddels anders. In het onderzoek onder burgers van het Sociaal en Cultureel Planbureau naar vertrouwen in de rechtspraak kwamen in het eerste kwartaal van 2012 ‘vormfouten’ en ‘te lage straffen’ naar voren als de twee belangrijkste punten die dit vertrouwen – dat overigens hoog is2 – negatief beïnvloeden.3
Berichtgeving in de media is in hoge mate bepalend voor het beeld dat het publiek heeft van de rechtspraak. De meeste mensen kunnen immers niet bogen op veel eigen ervaring met de rechtspraak.4 Over vormfouten is deze berichtgeving tamelijk eenzijdig. Dat een verdachte ondanks bepaalde vormfouten toch is veroordeeld, levert geen ‘nieuws’ op. Een vrijspraak of nietontvankelijkverklaring van het OM als gevolg van een vormverzuim is daarentegen wel steeds nieuws. De berichtgeving over vormfouten concentreert zich op de gevallen waarin de rechter daaraan ingrijpende gevolgen verbindt en beperkt zich tot de gemaakte fout en het rechtsgevolg daarvan. Belangrijke nuances, zoals de eventueel bestaande mogelijkheden tot herstel, of de redenen voor de toepassing van een bepaald ingrijpend rechtsgevolg, krijgen in de normale dagelijkse berichtgeving meestal niet veel aandacht. Minister Sorgdrager gaf in de memorie van antwoord bij de Wet vormverzuimen aan niet verbaasd te zijn over de conclusie uit het onderzoek ‘Vormfouten in de strafvervolging’,5 dat de berichtgeving over vormfouten een beduidend somberder beeld geeft over het functioneren van het OM dan feitelijk gerechtvaardigd is. Ook als niet duidelijk is wie de fout heeft gemaakt, geeft de ‘sanctie’ op de fout dikwijls aanleiding deze op het conto van het OM te schrijven, aldus de minister. Zij beloofde ervoor te zorgen dat voorlichting over strafzaken wordt verbeterd: ‘waarbij in het bijzonder zal worden gelet op het feit dat vormfouten lang niet altijd het gevolg behoeven te hebben, dat de vervolging en berechting van de verdachte wordt gestopt’.6
Dit stelt niet alleen eisen aan de motivering van uitspraken, maar ook aan de presentatie daarvan in het kader van persvoorlichting, zoals Buruma betoogt. Hij wijst daarbij tevens op het belang van timing en ‘een pratend gezicht met een verhaal dat desinformatie de pas af snijdt’.7 Van camera’s in de rechtszaal verwacht ik in dit opzicht geen heilzame werking als daaraan niet een gedegen commentaar is gekoppeld, maar die discussie wil ik hier laten rusten. In elk geval zal de rechter zich actief moeten opstellen en moet hij kernachtig kunnen uitleggen wat hij heeft beslist en waarom.
Nog steeds geldt dat als een ingrijpende reactie op een vormfout volgt, in het publieke debat meestal de politie of het OM de schuld krijgt.8 Ik sluit echter niet uit dat de rechter meer doelwit van kritiek wordt, wanneer de keuzevrijheid die hij in dit opzicht heeft, meer publieke bekendheid krijgt. De strafrechter moet erop zijn voorbereid dat in de politiek, bij de top van het OM en/of het Ministerie van Veiligheid en Justitie – al dan niet onder invloed van politieke verschuivingen – ook een andere wind kan gaan waaien ten opzichte van de rechtspraak over vormfouten. Een wind waarbij het OM de hand minder in eigen boezem steekt en meer wijst op de (‘onbegrijpelijke’) wijze waarop de strafrechter van de hem toevertrouwde keuzevrijheid gebruik maakt. Ook met het oog daarop moet de strafrechter de door hem gekozen aanpak goed kunnen uitleggen. Anders ontstaat gemakkelijk een voedingsbodem voor onbegrip en onvrede bij het publiek, waarbij – zo schrijft Van Bennekom – ‘het denkbeeld dat de rechter ook rechtsbescherming tegen onrechtmatig overheidsoptreden behoort te bieden toch al niet heel diep geworteld is’.9