Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/5.3
5.3 GEVAREN VAN ONJUISTE BEELDVORMING
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS613039:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Steiker 1996, p. 2549-2550.
‘The distinction between the use of evidence in the case-in-chief and its use as impeachment evidence (...) require[s] to much knowledge of arcane jargon and a too sophisticated understanding of the legal process to make good drama that is widely accessible’, Steiker 1996, p. 2538.
Dit idee komt in opinieonderzoek onder het algemene publiek, aldus Steiker 1996, p. 2471, steevast naar voren, net als een groot vertrouwen in de politie en beperkte vrees voor overschrijding van bevoegdheden door de politie.
‘We should worry that these views reflect a misguided belief that the Supreme Court regulates – indeed, over-regulates – police conduct to such a degree that we have little to fear from out-of-control officers and much more to fear from overly constrained officers, when police-conduct rules are in fact undercut by more invisible decision rules. (...) There is good reason to fear that the public’s over-estimation of the constraints on law enforcement induced by acoustic separation currently skews public policy. It seems to have become a distinctively American trait to see the police and the criminal justice process as the first line of defense against social decay. Recent transnational studies have revealed that the United States has one of the highest, if not the highest, incarceration rate of the world. (...) Of course, many social and cultural factors play a role in determining public policy. But we should worry about the impact of the public’s misperceptions about constitutional constraints on law enforcement’, aldus Steiker 1996, p. 2549-2550.
Zie Kamerstukken II, 1994/95, 23705, nr. 5, p. 3-4: ‘Het heeft er alle schijn van dat het wetsvoorstel niet zozeer is ingediend wegens een geconstateerde tekortkoming in het wetboek als wel wegens onzorgvuldige berichtgeving in de media met betrekking tot de problematiek van de vormverzuimen. De argeloze krantenlezer of televisiekijker is niet kwalijk te nemen dat hij of zij “niet begrijpt waarom een verdachte vrijuit gaat, terwijl uit de bewijsmiddelen blijkt dat hij strafbaar heeft gehandeld en een ieder hiervan overtuigd is”. (…) Kwalijker is het dat de Minister van Justitie deze misvatting hanteert als argument om het wetssysteem te wijzigen.’
SCP 2012, p. 9.
Zie bijv. De Roos 2013.
Zie het Aanvullend advies Wijziging van het Wetboek van Strafrecht i.v.m. het beperken van mogelijkheden om een taakstraf op te leggen voor ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive van misdrijven van 2 februari 2011, p. 2, te vinden op www.rechtspraak.nl.
Zie het Advies minimumstraffen van 15 juni 2011, p. 6, te vinden op www.rechtspraak. nl.
Hirsch Ballin 2011.
Hol 2009, p. 200.
Maakt het wat uit dat bij het algemene publiek een verkeerd beeld bestaat over hoe vaak vormfouten tot mislukte vervolgingen leiden? Ja, dat maakt wat uit. Naast de imagoschade voor de rechtspraak bergt een niet met de realiteit overeenkomend beeld van de wijze waarop de rechter op vormfouten reageert ook een ander gevaar in zich, waarover in de Verenigde Staten Steiker heeft geschreven. Zij wijst in dit verband op het onderscheid tussen ‘conduct rules’, gedragsregels voor politie en OvJ, en ‘decision rules’, de regels die de rechter hanteert wanneer hij beslist over de rechtsgevolgen van een schending van gedragsregels. ‘We should worry about the impact of the public’s misperceptions about constitutional constraints on law enforcement’, zo waarschuwt Steiker.1 Volgens haar heeft het algemene publiek vaak wel enige bekendheid met ‘conduct rules’. Wie kent niet het zwijgrecht van de aangehouden verdachte: ‘you have the right to remain silent’, is iets wat men dagelijks op tv kan horen. De vaak genuanceerde ‘decision rules’ zijn bij het algemene publiek veel minder bekend. Deze beslisregels zijn te gecompliceerd om in de media op aantrekkelijke wijze over het voetlicht te worden gebracht: zij maken geen ‘good drama’.2 Zo wordt het beeld gevoed dat elke schending door de politie van een gedragsregel ertoe leidt, dat de rechter de verdachte vrijuit laat gaan. Het ontgaat het publiek dat vormfouten in heel veel gevallen helemaal niet zulke ingrijpende gevolgen hebben.
In de publieke opinie kan het beeld rijzen dat grondrechten een hogere mate van bescherming genieten dan feitelijk het geval is en dat een doeltreffende opsporing en vervolging ernstige hinder ondervindt van de juridische obstakels die de rechterlijke macht opwerpt.3 Als gevolg hiervan kan het idee postvatten dat de effectiviteit van het strafrecht als middel om allerlei problemen op te lossen heel groot is, als de politie maar minder beperkingen zouden worden opgelegd.4 Dit kan – zonder deugdelijke feitelijke grondslag – het maatschappelijke en politieke draagvlak creëren voor maatregelen die de beslisruimte van de rechter beperken of die de bevoegdheden van de politie verruimen ten koste van de bescherming van individuele grondrechten, of bijvoorbeeld voor de aanstelling van (leken)rechters die zich bereid verklaren een rechtspraak te bevorderen die de politie minder aan banden legt. Tekenend in dit verband is de opmerking van de minister van Justitie Sorgdrager, die het wetsvoorstel van haar voorganger Hirsch Ballin had overgenomen, in haar nota naar aanleiding van het verslag bij de Wet vormverzuimen:
‘Met de motieven die aan dit wetsvoorstel ten grondslag liggen ben ik het niet altijd eens. Ik doel dan op het beroep op de maatschappelijke onvrede over het functioneren van het strafproces, dat blijkens de memorie van toelichting aan dit wetsvoorstel ten grondslag ligt. Ik ben van oordeel dat deze onvrede niet zozeer is gelegen in een negatief oordeel over (het functioneren van) het strafproces als zodanig, maar vooral door de – niet altijd correcte – publiciteit rond concrete vormverzuimen en de – niet altijd adequate – kwaliteit van het handelen van organen in de strafrechtsketen, waarbij het accent dikwijls op het openbaar ministerie ligt. Daarmee is niet gezegd dat het niet van groot belang is de oorzaken van die maatschappelijke onvrede weg te nemen.’5
Deze passage wekt de suggestie dat de minister – in lijn met de scherpe kritiek op het wetsvoorstel van de leden van GroenLinks6 – meer zag in het bewerkstelligen van veranderingen in de publiciteit over vormverzuimen, dan in aanpassingen van het strafprocesrecht, terwijl de Wet vormverzuimen toch dat laatste deed. Dat was zo’n 20 jaar geleden. Tegenwoordig wordt met de toepassing van ingrijpende rechtsgevolgen als reactie op een vormfout in de rechtspraak veel terughoudender omgesprongen, maar nog steeds worden ‘vormfouten’ genoemd als een van de twee belangrijkste punten die het vertrouwen in de rechtspraak negatief beïnvloeden.7
Daar komt bij dat in de huidige politiek de invloed van beeldvorming op het beleid alleen maar groter lijkt te zijn geworden. De term ‘fact free politics’ is in het Nederlandse politieke en maatschappelijke debat opgedoken.8 Daarmee wordt geduid op politieke stellingnames of beleid dat voornamelijk is gebaseerd op beeldvorming, los van de onderliggende feiten. Tekenend in dat verband is bijvoorbeeld dat in het wetgevingsadvies van de Raad voor de rechtspraak over het wetsvoorstel dat beoogde de mogelijkheden tot oplegging van taakstraf te beperken bij ernstige zeden- en geweldsmisdrijven en bij recidive, erop is gewezen dat dit wel het nadelige gevolg kan hebben dat de rechter soms een disproportionele straf zal moeten opleggen, zonder dat met dat wetsvoorstel ‘een duidelijk en wel omschreven ernstig probleem zou worden opgelost’.9 Het beeld bij het publiek dat zware misdrijven vaak slechts met een ‘taakstrafje’ zouden worden bestraft lijkt hier een belangrijke drijfveer voor de beoogde wetswijziging. In zijn commentaar op het wetsvoorstel strekkend tot de invoering van minimumstraffen is de Raad voor de rechtspraak nog duidelijker. Daarin schrijft de Raad letterlijk en vetgedrukt: ‘Het wetsvoorstel gaat aan de feiten voorbij.’10
De toename van de invloed van publieke beeldvorming op politiek beleid, stelt hoge eisen aan de rechtspraak en de communicatie over de inhoud daarvan door de rechter met de samenleving. Hirsch Ballin wees erop dat waar burgers ‘onder wie degenen tot wie populistische bewegingen zich richten’ van de overheid vragen om realisering van hun behoeften aan zekerheid en veiligheid en respons daarop ontbreekt, populisten een open doel voor zich hebben.11 Die waarschuwing moet de strafrechter zich naar mijn opvatting ook aantrekken. Het is belangrijk dat burgers hun ervaringen en gevoelens weerspiegeld zien in rechterlijke uitspraken.12 Met de daarmee verband houdende gevoeligheden moet de rechter rekening houden. Dat betekent niet dat geen reacties op vormfouten meer zouden kunnen volgen die aan berechting van de verdachte in de weg staan, maar dat de strafrechter de toepassing daarvan heel goed moet motiveren en presenteren.