Einde inhoudsopgave
Faillissementspauliana, Insolvenzanfechtung & Transaction Avoidance in Insolvencies (R&P nr. InsR1) 2010/5.6.1.3
5.6.1.3 Zekerheden voor aandeelhoudersleningen
mr. R.J. de Weijs, datum 15-03-2010
- Datum
15-03-2010
- Auteur
mr. R.J. de Weijs
- JCDI
JCDI:ADS405713:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Algemeen
Insolventierecht / Faillissement
Voetnoten
Voetnoten
D.A. Skeel en G. Krause-Vilmar, `Recharacterization and the Nonhindrance of Creditors', European Business Organization Law Review 2006/7, p. 283.
Het Nederlandse recht kent geen regel die stelt dat zekerheidsrechten verstrekt aan aandeelhouders categorisch aantastbaar zijn. Slechts voor zover deze onverplicht zijn verstrekt, is ten aanzien van een aandeelhouder die ten minste 50% van de aandelen houdt of die als een groepmaatschappij kwalificeert het bewijsvermoeden van artikel 43 Fw van toepassing voor zover de zekerheidsverstrekking heeft plaatsgevonden in het jaar voorafgaand aan de faillietverklaring. Verder worden zekerheidsverschaffingen aan aandeelhouders getoetst aan de onrechtmatige daad. Zie uitgebreid hoofdstuk 4 (§ 4.3.1.3).
Het Engelse recht kent geen regels die stellen dat aandeelhouders geen zekerheden kunnen bedingen voor verstrekte leningen. Wel geldt ten aanzien van floating charges for past value voor de aantastbaarheid een ruimer regime indien de aandeelhouder een controlerend aandeelhouder was (24 maanden in plaats van 12 maanden). Zie hoofdstuk 3 (§ 3.2.4). Verder kent ook artikel 239IA een ruimer regime ten aanzien van preferences ten gunste van controlerend aandeelhouders. Zie hoofdstuk 3 (§ 3.2.2, § 3.3.1 en § 3.5.4.1).
Zie hoofdstuk 2 (§ 2.3.1.3).
Om de gedachten te bepalen over de grenzen aan de toelaatbaarheid van het verstrekken van zekerheden aan aandeelhouders, is het illustratief te bezien wat mogelijk is indien men zekerheidsrechten van aandeelhouders onbeperkt zou toestaan. Stel een 100%-aandeelhouder financiert een kapitaalvennootschap met € 18.000 eigen vermogen door het storten op aandelen. Vervolgens gaat de vennootschap activiteiten ontwikkelen. Deze koopt grond, gebouwen en machines. Voor dit alles is geld nodig. De aandeelhouder wil dit geld best lenen, maar wil niet boven de € 18.000 nog verder risico lopen. De aandeelhouder verstrekt daarom leningen aan de vennootschap ten belope van € 25 miljoen voor een bescheiden rente van 5% per jaar. Voor de leningen en de rente bedingt de aandeelhouder zekerheidsrechten op alle activa. Het bestuur doet echt zijn best en de aandeelhouder bemoeit zich verder in het geheel niet met de gang van zaken. De aandeelhouder heeft nu een dubbele hoedanigheid: die van aandeelhouder en die van gesecureerde schuldeiser. Indien het goed gaat, krijgt de aandeelhouder boven zijn 5% rente nog dividend of worden zijn aandelen meer waard. Het gehele upside potentieel gaat zo naar de 100%-aandeelhouder. Indien het slecht gaat, zet de aandeelhouder zijn schuldeisermasker op en executeert hij zijn zekerheidsrecht en krijgt zo zijn volledige lening inclusief rente terug. Het ondernemersrisico wordt volledig op de schuldeisers afgewenteld. Nu is dit een extreem voorbeeld. Bedacht dient echter te worden dat bij elke euro die de aandeelhouder leent aan de vennootschap tegen zekerheden, het ondernemersrisico wordt afgewenteld op de gezamenlijke schuldeisers.
Zie ook kritisch ten aanzien van gesecureerde aandeelhoudersleningen Skeel en Krause-Vilmar:
`The shareholder/secured creditor does not bear the risk of default on her kan due to the security, but still receives the profits if the company succeeds. As a result, the security enables the shareholder to have her cake and eat it to. if anything, a secured ban may exacerbate the conflict between the shareholder's incentives and the interests of the outside creditors and the company as a whole. '1
Het Nederlandse2 en Engelse3 recht kennen geen regels die specifiek gericht zijn op de geldigheid en afdwingbaarheid van zekerheidsrechten verstrekt aan aandeelhouders. Het Duitse recht kent in artikel 135 Ins0 wel een regeling ten aanzien van zekerheidsrechten gevestigd ten gunste van aandeelhouders. Deze hanteert enkel objectieve criteria. Artikel 135 Ins0 bepaalt dat alle zekerheidsrechten verstrekt in de tien jaren voor de aanvraag tot insolventverklaring aanvechtbaar zijn indien deze zekerheidsrechten strekken tot zekerheid van de terugbetaling van aandeelhoudersleningen.4
Een regeling ten aanzien van zekerheden ten behoeve van aandeelhouders is net als een regeling ten aanzien van terugbetaling van deze leningen voor insolventie in belangrijke mate een sequeel van de regeling van de positie van aandeelhoudersleningen in formele insolventie. De analyse in hoeverre het mogelijk en wenselijk moet worden geoordeeld dat een objectieve regeling wordt gehanteerd ten aanzien van zekerheden ten gunste van aandeelhoudersleningen is dan ook grotendeels hetzelfde als hiervoor ten aanzien van de achterstelling van aandeelhoudersleningen in en voor formele insolventie, met dien verstande dat de problematiek ten aanzien van zekerheden extremer is. De verdeling van risico's rond de vennootschap komt te zeer onder druk te staan indien men de aandeelhouder toestaat zekerheden te bedingen voor verstrekte leningen. Dit staat haaks op het uitgangspunt dat de winsten en de verliezen voor rekening komen van de aandeelhouders als verschaffers van risicodragend vermogen. In de problematiek van zekerheidsrechten verstrekt aan aandeelhouders valt meteen een extra argument te vinden waarom leningen van aandeelhouders zouden moeten worden achtergesteld. Indien men oordeelt dat de aandeelhouder geen zekerheden mag bedingen voor leningen aan de vennootschap, wordt duidelijk dat de aandeelhouder geen gewone schuldeiser is, ook al verstrekt hij een lening. In die zin onderstreept de wenselijkheid van een verbod op zekerheden aan aandeelhouders, de wenselijkheid van achterstelling van ongesecureerde aandeelhoudersleningen.
De conclusie is dan ook dat het mogelijk en wenselijk is een regeling op te stellen die de vrijheid van aandeelhouders om zekerheden te bedingen aan banden legt of geheel wegneemt en dat het eveneens mogelijk en wenselijk is dat deze regeling exclusief objectieve criteria hanteert.