Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.9:2.9 Artikel 4:3 lid 1 BW van limitatieve opsomming naar een open norm?
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.9
2.9 Artikel 4:3 lid 1 BW van limitatieve opsomming naar een open norm?
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859090:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Aanpassing aan jurisprudentie van het EHRM wordt meegenomen na de rechtsvergelijking.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 4:3 lid 1 BW bevat een limitatieve opsomming van de onwaardigheidsgronden. In de voorgaande paragrafen is naar voren gekomen dat de bepaling voor sommige gevallen te beperkend is geredigeerd. Bijvoorbeeld in de situatie dat de moordenaar van de erflater voordat sprake is van een onherroepelijke veroordeling, overlijdt. Gedacht kan ook worden aan de situatie dat de dader de erflater opzettelijk heeft omgebracht, maar is ontslagen van alle rechtsvervolging. Of in de gevallen waarin met behulp van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid moet worden bereikt dat een persoon die niet onwaardig is, toch geen voordeel kan genieten uit de nalatenschap. In deze situaties is uiteindelijk alsnog een rechtvaardig resultaat bereikt, maar zou het niet beter zijn de formulering van artikel 4:3 BW aan te passen? Nadat een rechtsvergelijking met het Belgische recht heeft plaatsgevonden, kan hierover meer worden gezegd. In deze paragraaf alvast een korte verkenning op grond van de bevindingen naar Nederlands recht.1
Het opsommen van de gevallen die tot onwaardigheid leiden, bergt zowel een voordeel als nadeel in zich. De omschreven gevallen bieden rechtszekerheid. Als aan de voorwaarden van artikel 4:3 BW wordt voldaan, is er sprake van onwaardigheid. Voor zowel de burger, notaris als rechter biedt dat houvast. Hierin schuilt ook direct het nadeel dat het te beperkend kan werken. In mijn optiek moet de oplossing worden gezocht in een gulden middenweg. De voordelen van het omschrijven van concrete gedragingen moet behouden blijven en daarnaast moet de bepaling flexibiliteit bieden om recht te kunnen doen aan de omstandigheden van het geval. Hiermee wordt de bepaling tevens toekomstbestendig voor eventuele aanpassingen uit het strafrecht of nieuwe jurisprudentie van het EHRM. De bepaling kan meebuigen met de tijdsgeest, zodat deze niet snel achterhaald is of aanpassing behoeft. Een geheel open norm verdient niet de voorkeur omdat de rechtszekerheid dan ten koste van de flexibiliteit teveel aan betekenis inboet.
Op basis van het verhandelde in dit hoofdstuk kom ik dan voorlopig tot een volgende redactie van artikel 4:3 lid 1 BW:
1. Onwaardig om uit een nalatenschap voordeel te trekken zijn onder meer:
a. hij van wie de strafrechter bewezen heeft verklaard dat hij de erflater opzettelijk heeft omgebracht, dan wel bewezen heeft verklaard dat hij een misdrijf heeft gepleegd tegen de erflater met zijn dood tot gevolg;
b. hij die onherroepelijk veroordeeld is wegens een opzettelijk tegen de erflater gepleegd misdrijf waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaren;
c. hij van wie bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak is vastgesteld dat hij tegen de erflater lasterlijk een beschuldiging van een misdrijf heeft ingebracht, waarop naar de Nederlandse wettelijke omschrijving een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier jaren is gesteld;
d. hij die de erflater opzettelijk heeft gedwongen of voorgoed heeft belet een uiterste wilsbeschikking te maken;
e. hij die opzettelijk de uiterste wil van de erflater heeft verduisterd of vernietigd, dan wel de uiterste wil of een uiterste wilsbeschikking heeft vervalst of valselijk heeft opgemaakt.
Onwaardigheid in de gevallen genoemd in lid 1 sub a tot en met e werkt van rechtswege. Spreekt de civiele rechter de onwaardigheid uit in een ander geval, dan werkt deze onwaardigheid terug tot het moment van openvallen van de nalatenschap.
In deze bepaling wordt onder een veroordeling en rechterlijke uitspraak mede verstaan een strafbeschikking.
Onder lid 1, sub a en b, valt tevens de strafrechtelijke poging tot, voorbereiding van of deelneming aan een dergelijk feit.
Onder lid 1, sub c, d en e, valt tevens de poging tot of deelneming aan een dergelijk feit.
Ten opzichte van de huidige bepaling is de eerste onwaardigheidsgrond komen te vervallen, omdat deze geheel opgaat in de tweede grond. Er is een nieuwe eerste grond ingevoegd die tegemoet komt aan de onwenselijke situatie van een dader die kan erven, omdat hij niet is veroordeeld maar ontslagen van alle rechtsvervolging. Het strookt niet met het rechtsgevoel dat deze dader waardig is om te erven. Het zal vermoedelijk ook niet stroken met de wil van de erflater als deze dader rechten kan ontlenen aan zijn nalatenschap.
Bij de nieuwe sub d zijn de middelen ‘een feitelijkheid’ en ‘bedreiging met een feitelijkheid’ niet teruggekeerd. Bij sub e is het valselijk opmaken en de verduidelijking van de uiterste wilsbeschikking toegevoegd. Tot slot maken de woorden ‘onder meer’ in de aanhef van deze bepaling dat het artikel van kleur verschiet en niet langer een limitatieve opsomming bevat.
In een later onderdeel kan generiek worden bepaald dat onder een veroordeling en rechterlijke uitspraak tevens een strafbeschikking wordt verstaan. Dit komt de overzichtelijkheid van de bepaling ten goede. Op eenzelfde wijze kan de poging tot, voorbereiding van en deelneming aan worden opgenomen. Hierin wordt een onderscheid gemaakt tussen de situaties waarin gedoeld wordt op de strafrechtelijke termen en situaties waarin een civiele invulling volstaat. Wordt bij artikel 4:3 lid 1 sub c BW gekozen voor de strafrechtelijke weg, dan is de strafrechter uiteraard gebonden aan de strafrechtelijke begrippen.
Dat artikel 4:3 BW door toevoeging van de woorden ‘onder meer’ een gedeeltelijk open norm wordt, heeft tot gevolg dat aanspraken niet meer onthouden hoeven te worden op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Indien de uitzonderlijke omstandigheden daar aanleiding toe geven, kan de civiele rechter vaststellen dat van onwaardigheid sprake is. Het is aan de rechter om te beoordelen of de feiten en omstandigheden gewichtig genoeg zijn. Door de kwalificatie onwaardigheid toe te kennen, wordt daarmee ook recht gedaan aan de omstandigheden van het geval. Het toetsingskader blijft wel gelijk in die zin dat zware eisen worden gesteld aan de conclusie onwaardigheid als geen sprake is van een van de concreet omschreven gedragingen. Het gaat om uitzonderlijke situaties, zoals in de rechtspraak naar voren is gekomen in paragraaf 2.7. Deze onwaardigverklaring door de rechter werkt terug tot het moment van het openvallen van de nalatenschap.
Een gedeeltelijk open norm of anders gezegd een niet-limitatieve opsomming komt meer voor in ons erfrecht. Bijvoorbeeld in artikel 4:188 lid 1 BW. Verder wordt in het civiele recht vaker gewerkt met een gedeeltelijk open norm bij het verbinden van consequenties aan gedragingen. Een voorbeeld hiervan betreft artikel 7:678 lid 2 BW dat handelt over ontslag op staande voet. Hierin is opgenomen wat onder andere onder een dringende reden wordt begrepen.
In het Wetboek van Strafrecht zijn misdrijven en overtredingen limitatief opgesomd. Dat vormt echter geen beletsel voor de wijziging van artikel 4:3 BW naar een niet-limitatieve opsomming. Hoewel het strafrecht doorklinkt in artikel 4:3 BW, is het een civielrechtelijke bepaling. Civielrechtelijk bestaat er geen bezwaar om ten aanzien van de gedragingen die tot onwaardigheid leiden een gedeeltelijk open norm te hanteren.