Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.8:2.8 De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid op artikel 4:3 BW
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.8
2.8 De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid op artikel 4:3 BW
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859122:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Midden-Nederland 6 mei 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:3038, RFR 2015/116. Zie hierover ook Hoens, EstateTip 2016/11. In deze uitspraak doet M allereerst een beroep op vergeving. Dit aspect komt aan de orde in par. 4.7.
Waarover nader par. 4.7.
Ik voeg daaraan toe dat het euthanasiegeval uit de parlementaire geschiedenis wordt besproken in het kader van vergeving bij voorbaat en niet in de sfeer van de redelijkheid en billijkheid. Zie nader over vergeving bij voorbaat par. 4.7.
Zie par. 2.7.1.
Zie par. 2.7.4.
Zie over dit aspect nader par. 4.7.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragraaf is duidelijk geworden dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid in feite het toepassingsbereik van artikel 4:3 BW kan verruimen. Het omgekeerde is ook mogelijk. De correctie op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid kan zich ook toespitsen op artikel 4:3 BW met als gevolg dat een persoon die op grond van deze bepaling onwaardig is, toch voordeel kan genieten uit de nalatenschap. De Rechtbank Midden-Nederland heeft zich in 2015 over deze optie gebogen.1
M en V zijn al jarenlang getrouwd als V lichamelijk dusdanig achteruit gaat dat zij volledige verzorging nodig heeft. M biedt haar deze verzorging. Op een gegeven moment besluiten de echtelieden om zelf uit het leven te stappen. Ter voorbereiding stellen zij een afscheidsbrief op voor hun familie en passen zij hun testamenten aan. Verder versturen M en V een brief aan de politie met informatie waar zij gevonden kunnen worden. Ter uitvoering van het plan wordt V door M in bad gelegd waar hij haar met een mes om het leven brengt. M steekt zichzelf vervolgens in de borststreek, maar overleeft deze verwondingen. De strafrechter veroordeelt M tot tweeëneenhalf jaar gevangenisstraf. In de civiele procedure doet M onder meer een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.
De rechtbank begint haar overweging met de vaststelling dat de redelijkheid en billijkheid tot op heden slechts aanvullend heeft gewerkt ten aanzien van artikel 4:3 BW in die zin dat iemand onwaardig werd geacht op grond van de redelijkheid en billijkheid, terwijl diegene dat op grond van een letterlijke toepassing van de wet niet zou zijn. M vraagt de rechtbank het tegenovergestelde te doen en hem op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid niet onwaardig te achten, terwijl hij dat volgens de tekst van artikel 4:3 BW wel is. De rechtbank stelt voorop dat de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid in beginsel ook kan gelden voor hetgeen uit een dwingende wetsbepaling voortvloeit. In dat geval moet aan zware eisen worden voldaan, voordat kan worden geconcludeerd dat een beroep op een dwingende wetsbepaling als naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar terzijde moet worden gesteld, aldus de rechtbank.
De rechtbank haalt vervolgens de wetgeschiedenis aan (Parl. Gesch. Inv. Boek 4 2003, p. 1169) en concludeert dat de wetgever bewust heeft gekozen voor het van rechtswege laten intreden van onwaardigheid als sprake is van een onherroepelijke veroordeling voor moord, omdat de ernst van de aan de orde zijnde omstandigheden daartoe aanleiding geeft. Gezien de inhoud en achtergrond van artikel 4:3 BW alsmede de zware eisen die (in zijn algemeenheid) aan een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid ten aanzien van een dwingende wetsbepaling worden gesteld, komt de rechtbank tot de slotsom dat M onvoldoende heeft gesteld om artikel 4:3 BW op die grond terzijde te stellen. De rechtbank voegt daar aan toe dat ook indien alle feiten en omstandigheden die M naar voren heeft gebracht zouden vaststaan, dit niet voldoende zou zijn om aan de zware eisen te voldoen die aan een dergelijk beroep op de redelijkheid en billijkheid worden gesteld.
De rechtbank wijdt tot slot nog een overweging aan M zijn stelling dat toepassing van artikel 4:3 BW in dit geval indruist tegen de strekking van de wettelijke bepaling. De rechtbank volgt M hierin niet. M heeft ter onderbouwing van zijn stelling verwezen naar de parlementaire geschiedenis, maar het daarin besproken euthanasiegeval2 is anders dan de kwestie van M. In tegenstelling tot het voorbeeld uit de wetsgeschiedenis, staat vast dat geen sprake was van een noodsituatie alsmede dat M is veroordeeld voor moord met oplegging van een gevangenisstraf. Daarmee kan aldus de rechtbank niet worden geoordeeld dat onwaardigheid in dit geval indruist tegen de strekking van de wet.3
De rechtbank concludeert terecht dat de eisen van redelijkheid en billijkheid ook kunnen corrigeren bij artikel 4:3 BW. De uitspraak van het hof inzake de fatale huwelijksreis bevestigt deze vaststelling.4 De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan spelen in alle facetten van het erfrecht. Ook bij een dwingende wetsbepaling. Het besproken voorbeeld over de legitieme portie van de moordende kleinzoon is daarvan een illustratie.5Artikel 4:3 BW zou ik echter niet als dwingend recht willen bestempelen, nu de erflater door het schenken van vergiffenis onwaardigheid buiten de deur kan houden. Het is wel een bepaling van openbare orde. Of het nu gaat om een dwingende wetsbepaling of niet, in beide gevallen geldt dat (dezelfde) zware eisen worden gesteld voor een geslaagd beroep op artikel 6:2 lid 2 BW. In alle gevallen dient het te gaan om uitzonderlijke omstandigheden.
De rechtbank hecht tevens waarde aan het feit dat onwaardigheid van rechtswege werkt. Mijns inziens maakt dat voor de beoordeling van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid niet uit. Wel is van betekenis – zoals de rechtbank ook vermeldt – dat de ernst van de misdraging voor de wetgever aanleiding is daar onwaardigheid aan te verbinden. Net zoals in de vorige paragraaf opgemerkt, zijn de overwegingen en gedachten van de wetgever relevant.
Hoewel ik de slotsom van de rechtbank onderschrijf dat aan de hoge eisen van een beroep op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid niet wordt voldaan, mis ik een argument in de overweging. De ratio van onwaardigheid speelt een belangrijke rol bij de beoordeling. Artikel 4:3 BW geeft mede uitdrukking aan het individuele belang van de erflater. Over het algemeen zal de erflater in de gevallen als genoemd in artikel 4:3 BW niet willen dat degene die zich zo tegen hem heeft gedragen, van hem erft. In situaties waarin dit anders ligt, kan de erflater via de weg van artikel 4:3 lid 3 BW alsnog bereiken dat diegene wel voordeel kan genieten uit zijn nalatenschap. In dit geval heeft de rechtbank echter geoordeeld dat van vergeving door V geen sprake is.6 Dat betekent dat het ervoor moet worden gehouden dat V niet wenst dat M van haar erft. Tezamen met de ernst van de gedraging en het feit dat M hiervoor strafrechtelijk veroordeeld is tot 2,5 jaar gevangenisstraf, zie ik – net als de rechtbank – geen ruimte om in dit geval af te wijken van artikel 4:3 BW.
Kortom, de eisen van de redelijkheid en billijkheid kunnen in twee opzichten een rol vervullen ten opzichte van artikel 4:3 BW. Brengen deze eisen mee dat een andere rechtsregel dan artikel 4:3 BW of een uiterste wilsbeschikking buiten toepassing moet blijven wegens onbetamelijk gedrag met als gevolg dat een persoon geen voordeel verkrijgt uit de nalatenschap, dan wordt in feite het bereik van de onwaardigheidsregeling vergroot. De redelijkheid en billijkheid vullen dan een leemte op. Anders dan de rechtbank verwoordt, is dan niet alsnog sprake van onwaardigheid. Die kwalificatie ontbreekt. Anderzijds kunnen deze eisen ook meebrengen dat artikel 4:3 BW in het concrete geval juist niet mag worden toegepast en dan wordt het bereik van deze bepaling beperkt.