Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.11:2.11 Conclusie
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/2.11
2.11 Conclusie
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859270:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 4:3 lid 1 BW kent vijf diverse onwaardigheidsgronden. De eerste grond richt zich op het opzettelijk ombrengen van de erflater. Hoewel het gerechtvaardigd is dat onwaardigheid volgt bij een dergelijk misdrijf, kan artikel 4:3 lid 1 sub a BW gemist worden. De strafbare feiten die deze onwaardigheidsgrond omvat, vallen tevens onder artikel 4:3 lid 1 sub b BW. Het zou niet misstaan een andere onwaardigheidsgrond als sub a op te nemen, te weten de bewezenverklaring door de strafrechter van het opzettelijk ombrengen van de erflater, dan wel van een misdrijf dat de dood van de erflater tot gevolg heeft. De suggestie is gedaan ook de poging tot, voorbereiding van en deelneming aan een dergelijk feit hierin op te nemen. Hierdoor wordt onwaardigheid niet meer ontlopen in de situatie dat de dader is ontslagen van alle rechtsvervolging. Bijvoorbeeld omdat het delict hem wegens een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens niet kan worden toegerekend. Het strookt met het rechtsgevoel en de ratio van onwaardigheid als de dader in een dergelijk geval onwaardig is.
Jurisprudentie van het EHRM beïnvloedt de eis van een onherroepelijke veroordeling. Het arrest de Roemeense erflater heeft niet tot gevolg dat de eis van een onherroepelijke veroordeling per definitie leidt tot schending van het EVRM. Sterker nog, deze eis draagt bij aan het waarborgen van de rechtszekerheid, hetgeen een belangrijk principe is. In bepaalde gevallen is de eis van een onherroepelijk veroordeling echter een brug te ver. Het EHRM beoordeelt de kwestie in het kader van artikel 8 EVRM. Ook als family life niet in het geding is, meen ik, dat de eis van een onherroepelijke veroordeling niet gesteld mag worden als aan de overige voorwaarden van artikel 4:3 lid 1 sub a of b BW wordt voldaan en dus vaststaat dat een erfrechtelijke verkrijger een dergelijk feit heeft gepleegd, maar een onherroepelijke veroordeling niet kon volgen wegens het overlijden van de dader. Zolang artikel 4:3 BW niet is aangepast, dient de bepaling in dergelijke gevallen verdragsconform te worden uitgelegd.
Voorts is betoogd dat onder de eis van een veroordeling ook een strafbeschikking moet worden begrepen. Een buitenlandse veroordeling of pendant van een strafbeschikking volstaat eveneens.
De tweede onwaardigheidsgrond spitst zich toe op misdrijven tegen de erflater gepleegd waarop een vrijheidsstraf is gesteld met een maximum van ten minste vier jaren. Nu de gemene deler de strafbedreiging betreft, valt een grote verscheidenheid aan delicten onder deze onwaardigheidsgrond. De concreet opgelegde straf is irrelevant. Meerdere misdrijven die vallen onder deze onwaardigheidsgrond zijn klachtdelicten. Dat houdt in dat zonder klacht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging en een veroordeling niet kan volgen. Onwaardigheid blijft dan buiten beeld. Verder moet het delict zijn gepleegd tegen de erflater. Hieronder valt niet enkel de persoon van de erflater, maar ook diens vermogen. Opzet op de persoon van de erflater is niet vereist. Evenmin is wetenschap bij de dader noodzakelijk dat het misdrijf tegen de erflater is gepleegd. De eis van een onherroepelijke veroordeling mag ook bij deze onwaardigheidsgrond niet altijd gesteld worden, zoals hiervoor al is opgemerkt bij de eerste onwaardigheidsgrond. Ook hier geldt dat onder een veroordeling een strafbeschikking moet worden begrepen. Een buitenlandse veroordeling of buitengerechtelijke afdoeningsmodaliteit die overeenkomt met een strafbeschikking kan tevens onwaardigheid meebrengen.
De derde onwaardigheidsgrond legt zich toe op de lasterlijke beschuldiging. Het inbrengen van een beschuldiging moet naar mijn mening ruim worden opgevat. De beschuldiging kan zijn neergelegd in een aangifte of klacht, maar dit is voor de toepassing van artikel 4:3 lid 1 sub c BW niet vereist. De lasterlijke beschuldiging moet van voldoende gewicht zijn. De wet vordert dat de beschuldiging moet zien op een misdrijf waarop naar Nederlands recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste vier jaren is gesteld. Bij deze onwaardigheidsgrond geldt eveneens als voorwaarde dat de misdraging tegen de erflater moet zijn gericht.
De vierde onwaardigheidsgrond ziet op het dwingen of beletten een uiterste wilsbeschikking te maken. De wet vordert dat het dwingen of beletten gebeurt met een middel: een feitelijkheid of bedreiging met een feitelijkheid. Hieronder moet tevens geweld worden begrepen. Betoogd is dat deze middelen kunnen vervallen. Het gaat om het dwingen of voorgoed beletten een uiterste wilsbeschikking te maken waarbij de dader met opzet moet hebben gehandeld. Een rechterlijke uitspraak is bij deze onwaardigheidsgrond niet vereist. Verder verdient het aanbeveling de poging tot en deelneming aan een dergelijke gedraging aan de bepaling toe te voegen.
De vijfde en laatste onwaardigheidsgrond omvat het verduisteren, vernietigen of vervalsen van een uiterste wil. Onder het begrip uiterste wil valt tevens een codicil. Verduisteren hoeft niet strafrechtelijk verduisteren te zijn. Het gaat om het opzettelijk onvindbaar maken van een uiterste wil. Het vervalsen van een uiterste wil is evenmin tot strafrechtelijk handelen beperkt. Voor zowel het verduisteren, vernietigen als vervalsen geldt dat het opzettelijk dient te geschieden. Het valselijk opmaken van een uiterste wil is niet onder artikel 4:3 lid 1 sub e BW begrepen. Het verdient aanbeveling de bepaling hiertoe uit te breiden. Voorts is de suggestie gedaan toe te voegen dat het vervalsen of valselijk opmaken van een uiterste wilsbeschikking onwaardigheid tot gevolg heeft. Verder is beargumenteerd dat het bij deze onwaardigheidsgrond niet hoeft te gaan om het verduisteren, vernietigen of vervalsen van de minuutakte of het originele codicil. Een afschrift of kopie valt hier ook onder. Tot slot heeft het de voorkeur de poging tot alsmede deelneming aan deze gedragingen eveneens met onwaardigheid te sanctioneren.
De vijf onwaardigheidsgronden uit artikel 4:3 lid 1 BW zijn limitatief. Dat neemt niet weg dat een persoon kan worden ontzegd voordeel te trekken uit de nalatenschap op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid. Dit komt per saldo neer op onwaardigheid alleen de kwalificatie onwaardigheid wordt niet aan het onwenselijke gedrag verbonden. De gedachten en overwegingen van de wetgever bij artikel 4:3 BW en de ratio van deze bepaling zijn daarom van betekenis bij deze toetsing. De spiegelbeeldige situatie is tevens mogelijk. Het gaat hierbij om een persoon die op grond van artikel 4:3 BW onwaardig is, maar waarvan de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat hij toch mag erven.
De analyse en bevindingen bij de onwaardigheidsgronden leiden tot een voorverkenning van wijziging van artikel 4:3 lid 1 BW naar een gedeeltelijk open norm. Deze voorverkenning wordt verder uitgewerkt na de rechtsvergelijking met de Belgische onwaardigheidsregeling.