Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.6.4.2
4.2.6.4.2 Hof van Justitie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291260:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396, m.nt. Bijl, r.o. 34 (Stichting Goed Wonen I).
HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396, m.nt. Bijl, r.o. 34 (Stichting Goed Wonen I).
HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396, m.nt. Bijl, r.o. 34 (Stichting Goed Wonen I).
Bijl, noot bij HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396 (Stichting Goed Wonen I).
Vgl. HvJ EG 28 maart 1996, zaak C-468/93, FED 1996/690, m.nt. Geradts, r.o. 25 (Gemeente Emmen) en HvJ EG 19 november 2009, zaak C-461/08, BNB 2011/14, m.nt. De Wit, r.o. 43 (Don Bosco).
Uit het Stichting Goed Wonen I-arrest is af te leiden dat het aan de lidstaten is om te bepalen welke zakelijke gebruiksrechten op onroerend goederen voor de btw-heffing gelijkgesteld worden met het onderliggende onroerend goed.1 Lidstaten mogen de vereenzelviging met het onderliggende onroerend goed beperken tot bepaalde (zakelijke) gebruiksrechten (bijvoorbeeld alleen erfpacht- en/of opstalrechten).2 Voorts is het lidstaten toegestaan om de vereenzelviging met het onderliggende onroerend goed te beperken tot die zakelijke gebruiksrechten die aan door de lidstaten vastgestelde nauwkeurige criteria voldoen.3 De vrijheid van de lidstaten is niet onbegrensd. De door lidstaten gestelde voorwaarden mogen de aard van de geboden keuzemogelijkheid niet wezenlijk wijzigen. Het Hof heeft niet duidelijk gemaakt wanneer die grens is bereikt.4 Uit een vergelijking van de jurisprudentie van het Hof van Justitie inzake andere kan-bepalingen met beoordelingsruimte, leid ik af dat het Hof hiermee bedoeld dat de vrijheid van de lidstaten wordt begrensd door het in acht te nemen doel van art. 15 lid 2, onderdeel a Btw-richtlijn.5 Op grond van dit doel mag een lidstaat een (beperkt) zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed alleen vereenzelvigen met het onderliggende vastgoed indien dit recht economisch gezien gelijkwaardig is aan de eigendom.