Einde inhoudsopgave
Acting in concert-regeling inzake verplicht bod op effecten (VDHI nr. 136) 2016/13.2.2.2
13.2.2.2 Verwerving in de zin van art. 5 lid 1 Overnamerichtlijn
mr. J.H.L. Beckers, datum 01-01-2016
- Datum
01-01-2016
- Auteur
mr. J.H.L. Beckers
- JCDI
JCDI:ADS371177:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Bank- en effectenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover ook Hopt 2014, p. 179-180.
ESMA 2013 – White list, Appendix B, nr. 2
De belangrijkste in dit verband zijn de “de minimis-regels” betreffende drempeloverschrijdingen van beperkte omvang, zie daarover Marccus/CEPS 2012 – Takeover Bids Directive Assessment Report, p. 142-143.
Beperkt tot verwervingen in een tijdvak van drie jaar na het sluiten van de overeenkomst (zie § 5.7.3).
Beperkt tot verwervingen in een tijdvak van een jaar voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst (zie § 5.6.3).
Bij wijze van uitzondering kan het toekennen van meervoudig stemrecht wel tot een biedplicht leiden, ondanks het ontbreken van een verwerving in enge zin (zie § 5.6.1).
Zie voor België: Verslag aan de Koning, B.S. 23 mei 2007, p. 27747 en Van Gerven/De Crombrugghe 2008, p. 224.
Zie respectievelijk: Duitsland (§ 5.4.3) en Frankrijk (§ 5.5.3). Frankrijk kent ook een acting in concertcategorie die specifiek ziet op de afgestemde verwerving van effecten. Uiteraard geldt hetgeen hier is opgemerkt niet voor deze categorie, zie § 5.5.2.2.
Idem Papadopoulos 2007, p. 529; Nieuwe Weme 2004, p. 153-154; Van Olffen 1999, p. 844-845 en 2000, p. 25 en Hijmans van den Berg/Van Solinge 2000, p. 72.
Op grond van de ratio van de biedplicht concludeert Nieuwe Weme dat het voor de biedplicht uit de Overnamerichtlijn niet van belang is op welke wijze de controle wordt verkregen, Nieuwe Weme 2004, p. 152-153. Idem Van Olffen 2000, p. 845.
Vaste rechtspraak sinds HvJ EG 18 januari 1984, ECLI:EU:C:1984:11 (Ekro), zie nader Asser/Hartkamp 3-I* 2015/97.
Volgens Winner 2014, p. 369 is heersende leer dat de Overnamerichtlijn uitgaat van het verwervingsconcept, maar dat lijkt mij aanvechtbaar, alleen al omdat de grote meerderheid van de lidstaten haar kennelijk anders heeft geïnterpreteerd (zie het overzicht bij de ESMA 2013- white list, Appendix B, nr. 2). Zie bijvoorbeeld ook Psaroudakis 2010, p. 550-583; Papadopoulos 2007, p. 529 en de verschillende Duitse auteurs genoemd in § 5.4.2.2 sub I.
Zie onder meer European Company Law Experts 2013, p. 3.
Wouters/Van Hooghten/Bruyneel 2009, p. 29.
Onduidelijk is wat onder “verwerving” in de Overnamerichtlijn moet worden verstaan.1 Op grond van art. 5 lid 1 dienen lidstaten ervoor zorg te dragen:
“dat een natuurlijke of rechtspersoon die, ten gevolge van dat een natuurlijke of rechtspersoon die, ten gevolge van eigen verwerving of verwerving door in onderling overleg met hem handelende personen, effecten van een vennootschap als bedoeld in artikel 1, lid 1, in zijn bezit krijgt welke – in voorkomend geval samen met de effecten die hij reeds bezit en de effecten die in het bezit zijn van in onderling overleg met hem handelende personen -, rechtstreeks of middellijk een bepaald percentage van de stemrechten in de vennootschap vertegenwoordigen waarmee de zeggenschap over de vennootschap wordt verkregen, verplicht is een bod uit te brengen ter bescherming van de minderheidsaandeelhouders van de vennootschap”.
I. De enge interpretatie
Een mogelijke interpretatie is dat de biedplicht enkel kan worden geactiveerd door een verwerving in enge zin, verkrijging van de goederenrechtelijke aanspraak op het effect waaraan stemrecht is verbonden (de “enge interpretatie”). De zinsnede “in voorkomend geval samen met de effecten die hij reeds bezit en de effecten die in het bezit zijn van in onderling overleg met hem handelende personen” wordt blijkbaar aldus gelezen dat er weliswaar sprake is van toerekening van stemrechten (zie uitgebreid hoofdstuk 12), maar dat dit niet wegneemt dat voor het ontstaan van een biedplicht een aanvullende verwerving nodig is.
De enge interpretatie is te vinden in een duidelijke minderheid van alle lidstaten.2 Van de onderzochte landen horen daarbij het Verenigd Koninkrijk (§ 5.3.3) en België (§ 5.7.3). Het Italiaanse recht huldigt hetzelfde uitgangspunt, maar in bijzondere gevallen kan ook het sluiten of wijzingen van een samenwerkingsovereenkomst tot een biedplicht leiden (§ 5.6.3).
Hieronder is schematisch weergegeven wanneer – behoudens vrijstellingen3 – een verwerving in deze landen tot een biedplicht leidt:
I. Overschrijding/bereiken van de controledrempel door een verwerving van een van de concert parties
II. iedere verwerving na overschrijding/bereiken van die drempel als gevolg van het sluiten van een overeenkomst
III. iedere verwerving voorafgaand aan overschrijding/bereiken van die drempel als gevolg van het sluiten van een overeenkomst.
Verenigd Koninkrijk
X
X
België
X
X4
Italië
X
X5,6
De eerste variant strekt tot evenredige verdeling va de controlepremie, hetgeen in deze landen de enige grondslag lijkt te vormen voor de biedplicht wegens acting in concert (vgl. eerder § 4.3.3.3 en hierna sub III). De tweede en derde variant zijn vermoedelijk gericht op het voorkomen van omzeiling van de eerste variant.7
II. De ruime interpretatie
In de rest van de onderzochte landen, waaronder Nederland (§ 13.2.2.3), wordt geen verwerving in enge zin geëist.8 In deze landen kan een biedplicht reeds ontstaan als gevolg van het sluiten van een stemovereenkomst of de toetreding tot een reeds bestaand samenwerkingsverband (§ 13.2.3).
III. Beoordeling
De enge interpretatie staat op gespannen voet met de strekking van de biedplicht. Een belangrijke rechtvaardigingsgrond van de biedplicht is bescherming van minderheidsaandeelhouders tegen het gevaar van machtsmisbruik en/of onevenredige verdeling van de controlepremie. Als gezegd ligt zonder een verwerving in enge zin niet voor de hand dat er een controlepremie is betaald. Moeilijker ligt het gevaar van machtsmisbruik. Tegen die achtergrond zou het geen verschil moeten maken of er sprake is van een verwerving in enge zin.9 In de bekritiseerde interpretatie lijken minderheidsaandeelhouders onvoldoende te worden beschermd tegen dreigend machtsmisbruik.10 Gelet op de vaste rechtspraak van het Europese Hof van Justitie, dat het EU-recht doelconform moet worden uitgelegd11, zou ik menen dat het begrip “verkrijging” in art. 5 lid 1 Overnamerichtlijn ruim geïnterpreteerd moet worden. In de Nederlandse literatuur lijkt daar ook van uit te worden gegaan, de buitenlandse literatuur is verdeeld.12
Ter rechtvaardiging van de enge interpretatie wordt ook wel gewezen op de billijke prijsbepaling van art. 5 lid 4 Overnamerichtlijn (zie daarover hierna hoofdstuk 14).13 De prijs die bij het verplichte bod moet worden geboden wordt daar immers omschreven als de hoogste prijs die in een bepaalde periode voorafgaand aan het bod is betaald “voor dezelfde effecten”.14 Zonder verwerving, is die billijke prijs niet te berekenen. Dit argument gaat niet op, omdat iedere lidstaat regels kent voor gevallen waarin van een “verwerving” geen sprake is (§ 13.2.2.2).
Een ander mogelijk argument is dat de biedplicht ten minste voor een deel wordt gerechtvaardigd met een beroep op de evenredige verdeling van de controlepremie (§ 4.2.2.3); bij het ontbreken van een verwerving in enge zin zal van een dergelijke premie geen sprake zijn. Dit argument gaat er ten onrechte van uit dat aan de biedplicht steeds zowel bescherming tegen machtsmisbruik als bescherming tegen onevenredige verdeling van de controlepremie ten grondslag moet liggen; een van beide volstaat (zie eerder § 4.2.3).