De grenzen van het recht op nakoming
Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/7.3.5.4:7.3.5.4 Verzuim van rechtswege bij ontbinding en omzetting
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/7.3.5.4
7.3.5.4 Verzuim van rechtswege bij ontbinding en omzetting
Documentgegevens:
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS377518:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. HR 6 oktober 2000, NJ2000, 691 (Verzicht/Row0; HR 20 september 2002, RvdW2002, 139 (Caribbean Bistras); HR 4 oktober 2002, NJ 2003, 257(Fraanjelatte); HR 28 november 2003, NJ 2004, 237(Van der Heijden/Bubbels); HR 22 oktober 2004, NJ2006, 597 m.nt. Hijma (Endlich/Bouwmachines).
Müko/Ernst 2007, § 275, nr. 148; Arnold 2002 p. 869; en P. Huber & Faust 2002, hfdst. 8, nr. 9.
Huber 1999, p. 788-789.
Staudinger/Otto 2004, § 326, nr. B22; en Wieser 2002, p. 860-861.
Vgl. Bakels 1993, p. 218.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ondanks het feit dat bij tijdelijke onmogelijkheid een ingebrekestelling vaak zinvol is, kan zij soms achterwege te blijven. Hiervoor kan aansluiting worden gezocht bij de relativering van de ingebrekestelling in de jurisprudentie van de Hoge Raad.1 Als voor een objectieve buitenstaander op voorhand duidelijk is dat een ingebrekestelling zinloos is omdat de periode van de tijdelijke onmogelijkheid lang zal duren, kan een ingebrekestelling achterwege blijven.2 Zo schrijft Ulrich Huber:3
(...) in diesem Fall wke es bloβer Formalismus, vom Glafibiger trotzdem zu verlangen, daβ er (...) eine Nachfrist setzt, von der jedermann klar ist, daβ sie nicht eingehalten werden kam
Het gaat hier echter niet om een principiële uitsluiting van de ingebrekestellingsverplichting, maar om een belangenafweging of in het individuele geval een ingebrekestelling achterwege kan blijven.4 Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval relevant, zoals de vraag of de tekortkoming toerekenbaar is, de hoedanigheid van partijen en of de schuldeiser vermoedelijk nog belang zal hebben bij nakoming als de verhindering is opgeheven. De vermoedelijke duur van de tijdelijke onmogelijkheid is slechts één gezichtspunt dat in de beoordeling moet worden betrokken.5