T&C BW, commentaar op art. 2:248 BW:Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurders bij faillissement
T&C BW, commentaar op art. 2:248 BW
Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurders bij faillissement
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het artikel is laatstelijk gewijzigd bij de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (Stb. 2020, 507), in werking getreden op 1 juli 2021 (Stb. 2020, 508). Voordien is het gewijzigd bij de Reparatiewet II Justitie (Stb. 2005, 24), in werking getreden op 1 februari 2006, de Wet tot aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht (Stb. 2005, 455), in werking getreden op 15 oktober 2005, de Wet tot aanpassing van het Burgerlijk Wetboek e.a. (Stb. 1995, 227), in werking getreden op 15 mei 1995 en de aanpassing van de Boeken 1 en 2 van het BW aan de Boeken 3-6 Nieuw BW (Stb. 1989, 541 en Stb. 1990, 90), in werking getreden op 1 januari 1992. Men zie over bestuurdersaansprakelijkheid ook art. 6:162 BW, aant. 8 onder f.
2. Aard van de vordering, verrekeningsverbod
In de literatuur bestaat discussie over de vraag of het hier gaat om een interne dan wel een externe aansprakelijkheid. Een meerderheid van de auteurs verdedigt het tweede standpunt. Zie hierover Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:138 BW, aant. 7. In HR 18 september 2009, LJN BI5912, NJ 2009/438; RO 2009/75 (Stichting Derdengelden Simon) kwalificeert de Hoge Raad de aansprakelijkheid op grond van art. 2:138/art. 2:248 als een aansprakelijkheid ‘jegens de boedel’. De Hoge Raad besliste in deze zaak dat de bestuurder zich in een tegen hem op grond van art. 2:138/art. 2:248 ingestelde procedure niet kan verweren met een beroep op compensatie met een vordering die hij heeft op de vennootschap. Deze beslissing is in 2021 gecodificeerd in het zesde lid van dit artikel. Alleen de curator is bevoegd de vordering op grond van dit artikel in te stellen, na daartoe door de rechter-commissaris te zijn gemachtigd (art. 68 lid 2 Fw). Deze vordering leent zich niet voor cessie (HR 7 september 1990, NJ 1991/52 (Den Toom)). De vordering op grond van art. 2:248 verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag waarop de curator zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke personen bekend is geworden (art. 3:310 lid 1). Zie hierover Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:138 BW, aant. 25.
3. Vereisten (lid 1, 6, 8 en 9)
Het artikel schept de mogelijkheid van aansprakelijkheid van iedere bestuurder van een vennootschap, indien aan de volgende vereisten is voldaan:
a.
faillissement van de vennootschap;
b.
kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur binnen de driejaarstermijn;
c.
het is aannemelijk dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.
Kennelijk onbehoorlijke taakvervulling
De wet spreekt van kennelijke onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, maar dit moet worden gelezen als kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur of een bestuurder (Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman/Schoonbrood, Van de BV en de NV 2022/48). Tot de bestuurders worden gerekend zowel zij, die deze hoedanigheid hadden op het moment dat het faillissement werd uitgesproken, als ook degenen die bestuurder waren, toen het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk verrichtte. Degene die wel bestuurder was ten tijde van het uitspreken van het faillissement, maar niet ten tijde van het onbehoorlijk bestuur kan een beroep doen op lid 3. Zie hierover Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:138 BW, aant. 12.1. De curator is niet gehouden alle bestuurders te dagvaarden (zie Hof Den Haag 24 oktober 2000, JOR 2001/61 (Gijtenbeek)). De vraag of het bestuur zijn taak niet behoorlijk heeft vervuld, moet beoordeeld worden naar hetgeen het bestuur voorzag of kon voorzien op het moment dat het die taak vervulde (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 3). Hierbij moet worden opgemerkt dat het niet de bedoeling is bestuurders te straffen voor onopzettelijke domheden en beleidsfouten. Door het woord ‘kennelijk’ wordt uitgedrukt dat slechts een in het oog springende bij wijze van spreken elke twijfel uitsluitende onbehoorlijkheid van de taakvervulling in aanmerking moet worden genomen, met dien verstande dat het criterium ‘kennelijk onbehoorlijke taakvervulling’ een minder strenge toetssteen vormt dan ‘grove schuld of grove nalatigheid’ in art. 2:248 (oud) (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 21). Van kennelijk onbehoorlijk bestuur kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder — onder dezelfde omstandigheden — aldus gehandeld zou hebben (HR 7 juni 1996, NJ 1996/695 (Van Zoolingen) en HR 8 juni 2001, JOR 2001/171 (Panmo)). Uit de wetsgeschiedenis volgt bovendien dat de bestuurders moeten hebben gehandeld met de (objectieve) wetenschap dat de schuldeisers zullen worden benadeeld (Handelingen II 1984/85, 16631, p. 6337; zie ook Wezeman, (diss.) 1998, p. 283-285). Uit HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2370 (Geocopter) volgt dat ook het in strijd met art. 2:246 BW aanvragen van het faillissement kan kwalificeren als kennelijk onbehoorlijke taakvervulling, mits komt vast te staan dat daardoor de belangen van de schuldeisers zijn geschaad en dat de bestuurder(s) wist(en) of behoorde(n) te weten dat dit het geval zou zijn. Bestuurders van concernvennootschappen dienen er rekening mee te houden dat voor elke tot het concern behorende vennootschap afzonderlijk moet worden beoordeeld of sprake is van onbehoorlijk bestuur. Het belang van het concern kan daarbij een rol spelen, maar dit kan niet doorslaggevend zijn in die zin dat het — zonder meer — prevaleert boven de belangen van de afzonderlijke concernvennootschappen. Het bestuur moet steeds een belangenafweging maken (HR 26 oktober 2001, NJ 2002/94 (Juno)). Het kennelijk onbehoorlijke bestuur moet hebben plaatsgevonden binnen een periode van drie jaren voor het faillissement (lid 6) (zie art. 249 lid 1 onderdeel 1° Fw voor het geval dat het faillissement is gevolgd op surseance van betaling). Valt het kennelijk onbehoorlijke bestuur buiten de driejarentermijn, dan kan de curator eventueel een vordering op grond van art. 2:9 instellen.
Het is aannemelijk dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement
De kennelijk onbehoorlijke taakvervulling behoeft niet de enige oorzaak van het faillissement te zijn, maar moet daaraan wel in belangrijke mate hebben bijgedragen. Het moet gaan om een oorzaak die een opvallende plaats inneemt in het geheel van factoren die tot het faillissement hebben geleid (Kamerstukken I 1985/86, 16631, nr. 27b, p. 8-9). Het is voldoende indien de curator in het faillissement het causaal verband tussen de onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement aannemelijk maakt (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 26 en 28). Onvoldoende is dat de curator aannemelijk maakt dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling als een voorwaarde voor het faillissement is te beschouwen (HR 24 januari 2014, NJ 2014/177, m.nt. PvS (Magista)).
4. Aansprakelijkheid voor het tekort (lid 1)
De bestuurders kunnen aansprakelijk worden gesteld voor de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. Onder de schulden kunnen ook de faillissementskosten worden gerekend (HR 10 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1053, NJ 1994/272 (De Zilverster)). Hieronder vallen ook de door de curator in het kader van de 248-procedure gemaakte proceskosten, zodat een proceskostenveroordeling achterwege kan blijven (zie J.B. Wezeman, Aansprakelijkheid van bestuurders, IVO-reeks deel 29, p. 343 en Rb. Utrecht 15 februari 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BW0733, RI 2012/81, JOR 2013/16). Art. 248 biedt evenmin grondslag voor toewijzing van wettelijke rente, zie Van Bekkum en Stoppels, 'Kroniek bestuurdersaansprakelijkheid 2017' in VDHI deel 152, p. 23-24 (met verwijzingen naar rechtspraak). De curator hoeft geen causaal verband aan te tonen tussen de onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur en het tekort (Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:138 BW, aant. 15.1).
5. Wettelijke vermoedens (lid 2)
Wanneer het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit art. 2:10 (boekhoudplicht) of art. 2:394 (tijdige publicatie van jaarrekening), dan wordt (onweerlegbaar) vermoed dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Deze onbehoorlijke taakvervulling wordt (weerlegbaar) vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Een redelijke uitleg van art. 2:248 lid 2 brengt mee dat ter weerlegging van het bewijsvermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten dan of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest (zie HR 23 november 2001, NJ 2002/95 (Mefigro) en HR 20 oktober 2006, NJ 2007/2 (Van Schilt)). Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak en wordt de bestuurder door de curator verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder tevens feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert (HR 30 november 2007, NJ 2008/91 (Blue Tomato)). Naast van buiten komende oorzaken, kan ook het handelen of nalaten van een of meer bestuurders dat op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert — en waarvan dus niet gezegd kan worden dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld — voldoende zijn voor ontzenuwing van het in het tweede lid neergelegde vermoeden (HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099 (Mobile Services)). Zie over dit belangrijke arrest: Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman/Schoonbrood (Van de BV en de NV 2022/48).
Publicatieplicht
Voor de vraag of tijdig aan de publicatieplicht is voldaan, is het uitblijven van een besluit tot verlenging van de termijn voor het opmaken van de jaarrekening (art. 2:210 lid 1) niet relevant (HR 11 juni 1993, NJ 1993/713 (Kempers en Sarper)). Dit betekent dat er bij de toepassing van lid 2 steeds van uit moet worden gegaan dat de jaarrekening binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar moet zijn gepubliceerd, zie het commentaar op art. 2:394 lid 3 BW. Voor boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2016 geldt op grond van de tot 1 november 2015 geldende publicatievoorschriften een uiterste termijn van dertien maanden. In geval van vereenvoudigde vaststelling van de jaarrekening van een BV op grond van art. 2:210 lid 5 BW (zie het commentaar op art. 2:210) geldt de ondertekening van de jaarrekening als vaststelling. Dan rijst de vraag of voor de toepassing van lid 2 geldt dat de jaarrekening moet zijn gedeponeerd binnen acht dagen na vaststelling (cf. art. 2:394 lid 1) of dat ook in dit geval de twaalfmaandstermijn van art. 2:394 lid 3 BW geldt. Zie hierover H. Beckman, 'Vereenvoudigde jaarrekeningvaststelling met automatische decharge: enkele opmerkingen over en bij art. 2:210 lid 5 BW' in: Eindeloos getob (IVOR nr. 125) 2022/12.4, die eerder aannemelijk acht dat in rechte zal worden aangehaakt bij de twaalfmaandstermijn.
Boekhoudplicht
Aan de eisen van art. 2:10 is voldaan indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de schuldenaren- en de schuldeiserspositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten gezien de aard en omvang van de onderneming een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie (HR 11 juni 1993, NJ 1993/713 (Kempers en Sarper)). Uit HR 10 oktober 2014, RI 2015/2; JOR 2014/327 (FSM Europe) volgt dat ook andere elementen dan de schuldenaren- en schuldeiserspositie en de stand van de liquiditeiten van belang kunnen zijn voor de vraag of de boekhouding aan de eisen van art. 2:10 voldoet. Welke elementen dit zijn zal sterk afhangen van de aard van de onderneming. Zie nader over de boekhoudplicht: C.M. Harmsen, Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (diss. RUN), Serie Onderneming & Recht, deel 115, Deventer: Wolters Kluwer, 2019.
Onbelangrijk verzuim
Het verdient nog opmerking dat een onbelangrijk verzuim van het bestuur niet in aanmerking wordt genomen. Het gaat hierbij om de vraag of de schending van de publicatieplicht dan wel boekhoudplicht zo onbelangrijk is dat deze geen kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur oplevert. Dat betekent dat het geringe aandeel dat een individuele bestuurder in de schending heeft gehad niet door deze bestuurder kan worden aangevoerd als reden om een onbelangrijk verzuim aan te nemen (HR 1 november 2013, NJ 2014/7; RO 2014/7 (Verify)).
Het feit dat het belang bij openbaarmaking betrekkelijk is omdat de vennootschap geen of weinig activiteiten uitoefent of weinig of geen relaties heeft, kan geen reden zijn om aan te nemen dat sprake is van een onbelangrijk verzuim (HR 12 juli 2013, NJ 2013/401; RO 2013/69 (Apeldoornse Asbestsanering)).
Overschrijding van de voor publicatie van de jaarrekening geldende uiterste termijn met enkele dagen levert een onbelangrijk verzuim op (HR 11 juni 1993, NJ 1993/713 (Kempers en Sarper)). Of al dan niet sprake is van een onbelangrijk verzuim hangt niet alleen af van de duur van de overschrijding, maar van alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de redenen voor de overschrijding. Aan deze — door de bestuurder te stellen en zo nodig te bewijzen — omstandigheden moeten hogere eisen worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is (HR 2 februari 1996, NJ 1996/406 (Pfennings), HR 26 juni 1996, NJ 1996/730 (Transom), HR 28 juni 1996, NJ 1997/58 (Bodam) en HR 12 juli 2013, NJ 2013/401; RO 2013/69 (Apeldoornse Asbestsanering)). Andersom geldt dat in geval van een relatief geringe termijnoverschrijding geen hoge eisen zijn te stellen aan de verklaring die daarvoor wordt gegeven (HR 1 november 2013, NJ 2014/7; RO 2014/7 (Verify)). Ook omstandigheden die tot de risicosfeer van het bestuur behoren kunnen grond opleveren om een onbelangrijk verzuim aan te nemen. Zie HR 12 juli 2013, NJ 2013/401; RO 2013/69 (Apeldoornse Asbestsanering), waarin de te late openbaarmaking was terug te voeren op een misverstand bij een dyslectische bestuurder. Het ontbreken van de accountantsverklaring kwalificeert niet steeds als een onbelangrijk verzuim als er wel is gepubliceerd en de cijfers juist zijn. Anderzijds is het ook niet zo dat het ontbreken van de accountantsverklaring nimmer een onbelangrijk verzuim oplevert. Of sprake is van een onbelangrijk verzuim zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Zie HR 20 oktober 2006, NJ 2007/2 (Van Schilt).
6. Disculpatiemogelijkheid (lid 3)
De taak ervoor te waken dat de vennootschap niet aan kennelijk onbehoorlijke taakvervulling failliet gaat, is een collectieve plicht. Dit was voor de wetgever echter kennelijk geen reden om de individuele bestuurder te belasten met risicoaansprakelijkheid voor het handelen van zijn medebestuurders (Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:138 BW, aant. 14). Lid 3 geeft derhalve iedere bestuurder de mogelijkheid zich te disculperen. Hiervoor is nodig dat de bestuurder bewijst dat hem geen verwijt treft van het kennelijk onbehoorlijk bestuur en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen ervan af te wenden. Zie HR 6 maart 2015, JOR 2015/107 (Zuid-Hollandse Glascentrale) waarin het arrest van het gerechtshof werd vernietigd omdat dit niet had vastgesteld dat de feitelijk bestuurder, die zich op lid 3 beriep, had bewezen dat hij niet nalatig was geweest in het afwenden van de gevolgen van het kennelijk onbehoorlijk bestuur. Een bestuurder die zijn stem onthoudt aan besluitvorming, die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling impliceert en vervolgens door af te treden zijn verdere medewerking aan die taakvervulling onthoudt, is voldoende gedisculpeerd (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 19). Uit HR 1 november 2013, NJ 2014/7, m.nt. PvS (Verify), r.o. 3.8, volgt dat in een lid 2-geval de bestuurder die kan aantonen dat de schending van de publicatie- en/of de boekhoudplicht niet aan hem te wijten is vrijuit gaat. Volgens A-G Assink — in r.o. 3.24 van zijn conclusie bij HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099 (Mobile Services) — volgt uit genoemde overweging van het Verify-arrest niet zonder meer dat de op grond van lid 2 aangesproken bestuurder zijn disculpatieverweer kan beperken tot diens rol bij de schending van art. 2:10 en/of 2:394 BW.
7. Matigingsbevoegdheid rechter (lid 4)
Het vierde lid geeft de rechter de bevoegdheid tot matiging van het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn tot het bedrag van de schade die door het kennelijk onbehoorlijke bestuur is veroorzaakt (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 41). Voorts bestaat de mogelijkheid dat de rechter het bedrag waarvoor een individuele bestuurder aansprakelijk is matigt, wanneer die bestuurder slechts een deel van de tijd waarin de onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur plaatsvond, in functie was. Uit HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:691, NJ 2022/184 volgt dat opsomming van de matigingsgronden in dit vierde lid limitatief moet worden opgevat. Dit is bevestigd in HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:635, NJ 2023/160, waarin tevens is geoordeeld dat lid 4 ook kan worden toegepast indien het boedeltekort niet groter is dan de door het kennelijk onbehoorlijk bestuur veroorzaakte schade (r.o. 3.2.3). In dit arrest overwoog de Hoge Raad bovendien dat de omstandigheid dat de bestuurder geen persoonlijk voordeel heeft genoten als gevolg van de onbehoorlijke taakvervulling in aanmerking kan worden genomen bij de beoordeling of de aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling aanleiding tot matiging geven (r.o. 3.2.6).
8. Schadestaatprocedure (lid 5)
Staat het bedrag van het tekort, tot betaling waarvan bestuurder(s) zijn veroordeeld, niet vast, dan kan op grond van het vijfde lid gebruik gemaakt worden van een schadestaatprocedure. In deze procedure kan niet meer geklaagd worden over het door de curator gevoerde beheer (HR 20 juni 2008, NJ 2008/356; RO 2008/56). De invloed van de afwikkeling van de boedel door de curator op het tekort dient aan de orde te worden gesteld in het kader van de matiging op grond van art. 248 lid 4.
9. Medebeleidsbepalers en door de rechter/OK benoemde bewindvoerders/bestuurders (lid 7)
Medebeleidsbepaler
In lid 7 wordt de feitelijke bestuurder gelijkgesteld met de statutaire bestuurder. Onder feitelijke bestuurders zullen moeten worden begrepen zij die, als waren zij bestuurders, aan de statutaire bestuurders opdrachten geven, die door die bestuurders worden opgevolgd. Volgens de wetsgeschiedenis moeten onder feitelijke bestuurders worden begrepen personen, al dan niet met een officiële functie in de vennootschap, die haar beleid bepalen met terzijdestelling van het formele bestuur (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 24). Dit betekent niet dat de beleidsbepaler moet hebben bestuurd in plaats en met uitsluiting van het bestuur. De feitelijk beleidsbepaler moet zich ten minste een deel van de bestuursbevoegdheid hebben toegeëigend, en op die manier het beleid hebben bepaald of mede hebben bepaald als ware hij bestuurder. Uit het woord 'mede' in art. 2:248 lid 7 kan worden afgeleid dat dit ook het geval kan zijn in de situatie dat een of meer formele bestuurders hun taken als bestuurder bleven uitoefenen. Zie HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:445.
Op de medebeleidsbepalers rusten via het bepaalde in lid 2 wel de verplichtingen uit art. 2:10 en 2:394 (HR 23 november 2001, NJ 2002/95 (Mefigro)).
Ondernemingsraad
Géén feitelijke bestuurders zijn de leden van een ondernemingsraad indien zij handelen binnen de grenzen die aan hun medezeggenschap zijn gesteld (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 24).
Moedermaatschappij
Als feitelijke bestuurder in de zin van lid 7 zal onder omstandigheden ook de moedermaatschappij van een vennootschap kunnen worden begrepen (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 24). Men zie in dit verband tevens art. 2:11 met de daarbij gestelde aantekeningen. Hierbij verdient opmerking dat een rechtspersoon die geen formeel bestuurder maar medebeleidsbepaler van een andere rechtspersoon is onder de werkingssfeer van art. 2:11 valt (HR 14 maart 2008, RO 2008/29 (Lammers/mr. Aerts q.q.)). Dit betekent dat de aansprakelijkheid van art. 2:248 via art. 2:11 wordt doorgeschakeld naar de bestuurders van de beleidsbepalende rechtspersoon. Op buitenlandse rechtspersonen die optreden als (feitelijk) bestuurder is art. 2:11 niet van toepassing, zie HR 18 maart 2011, RO 2011/38 (D Group/Schreurs) en HR 21 juni 2013, NJ 2013/353; RO 2013/60 (MyGuide).
Uitzondering voor de rechter/OK benoemde bewindvoerder/bestuurder
Het artikel is niet van toepassing op door de rechter benoemde bewindvoerders en door de Ondernemingskamer benoemde bestuurders. De laatstgenoemde uitzondering betreft zowel de bestuurder die op grond van artikel 2:349a lid 2 BW aangesteld is bij wege van voorlopige voorziening als de bestuurder die aangesteld is bij een op grond van artikel 2:355 lid 1 BW getroffen voorziening (Kamerstukken II 2015/16, 34491, nr. 3).
10. Wanbeleid
Indien in het kader van een enquêteprocedure uit het verslag van de rapporteurs van wanbeleid (art. 2:355) blijkt, behoeft daarmee nog niet altijd van onbehoorlijke taakvervulling in de zin van dit artikel sprake te zijn (HR 10 januari 1990, NJ 1990/466 (Ogem)). Het omgekeerde zal eerder het geval zijn. Men bedenke daarbij dat voor het aannemen van wanbeleid in de zin van art. 2:355 niet nodig is dat aan bestuurders of commissarissen persoonlijk wanbeleid kan worden verweten. Zie ook HR 8 april 2005, JOR 2005/119 (Laurus): ‘Indien personen die deel uitmaken van de organen van de rechtspersoon door derden die als gevolg van wanbeleid schade hebben geleden aansprakelijk worden gesteld in een afzonderlijke, op art. 6:74 BW en/of art. 6:162 BW en/of art. 2:138/art. 2:248 BW gebaseerde, procedure, is de vaststelling van de ondernemingskamer dat van wanbeleid van de onderzochte rechtspersoon sprake is — behoudens cassatie — weliswaar bindend voor diegenen die in de tweede procedure van de enquête zijn verschenen en ofwel tot toewijzing van hetgeen verzocht en/of gevorderd is hebben geconcludeerd ofwel daartegen verweer hebben gevoerd, maar dit impliceert niet de persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van de organen van de rechtspersoon voor dat wanbeleid. De door de ondernemingskamer vastgestelde feiten staan in een aansprakelijkheidsprocedure ook niet op voorhand vast, zelfs niet behoudens tegenbewijs. Het oordeel van de ondernemingskamer dat van wanbeleid sprake is geweest, kan daarin onder omstandigheden wel de bewijsrechtelijke betekenis hebben dat de rechter, mede gelet op de inhoud van het door de onderzoekers opgestelde verslag en het daarover in de tweede procedure van de enquête gevoerde debat, voorshands bewezen acht dat de aangesproken persoon tegenover de rechtspersoon zijn taak niet heeft vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen.’ Zie uitvoerig over wanbeleid art. 2:355, aant. 2-5.
11. Voorschot op kosten rechtsvordering (lid 10)
Lid 10 verklaart art. 2:138 lid 10 van overeenkomstige toepassing. Op grond van dit lid is het mogelijk dat in het geval dat door het wanbeleid van bestuurders onvoldoende middelen bij de vennootschap aanwezig zijn om de in dit artikel bedoelde vordering in te stellen, de Minister van Justitie aan de curator op diens verzoek een voorschot daartoe verstrekt. Het verzoek behoeft de goedkeuring van de rechter-commissaris. Voor de voor de beoordeling van een dergelijk verzoek geldende regels zij verwezen naar de Garantstellingsregeling Curatoren 2023, Stcrt. 2023, 9704, d.d. 31 maart 2023.
12. Bestuursverbod
Op verzoek van de curator of het OM kan de rechtbank een bestuursverbod opleggen aan (feitelijke) bestuurders van wie bij onherroepelijke uitspraak is vastgesteld dat zij op grond van art. 2:248 aansprakelijk zijn voor het tekort van de gefailleerde vennootschap (art. 106a Fw). De persoon aan wie het verbod is opgelegd mag gedurende maximaal vijf jaren geen functie als bestuurder of commissaris van een rechtspersoon vervullen. Dat een (feitelijk) bestuurder op grond van art. 2:248 aansprakelijk is voor het tekort betekent nog niet dat dan ook steeds een bestuursverbod wordt opgelegd: het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Voor oplegging van zo’n ingrijpende sanctie moet er sprake zijn van een ernstig persoonlijk verzuim van de bestuurder (MvT, Kamerstukken II 2013/14, 34011, 3, p. 17). Het civielrechtelijk bestuursverbod is per 1 juli 2016 ingevoerd ter bestrijding van faillissementsfraude (Wet civielrechtelijk bestuursverbod, Stb. 2016, 153). Zie verder het commentaar van Verstijlen bij art. 106a-106e Fw.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
T&C BW, commentaar op art. 2:248 BW
Hoofdelijke aansprakelijkheid bestuurders bij faillissement
M.L. Lennarts, actueel t/m 01-09-2025
01-09-2025
01-07-2021 tot: -
M.L. Lennarts
T&C BW, commentaar op art. 2:248 BW
Corona (V)
Onbekend (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
bestuurdersaansprakelijkheid
bestuurder (rechtspersoon)
besloten vennootschap
hoofdelijke aansprakelijkheid
corona
Burgerlijk Wetboek Boek 2 artikel 248
1. Algemeen
Het artikel is laatstelijk gewijzigd bij de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen (Stb. 2020, 507), in werking getreden op 1 juli 2021 (Stb. 2020, 508). Voordien is het gewijzigd bij de Reparatiewet II Justitie (Stb. 2005, 24), in werking getreden op 1 februari 2006, de Wet tot aanpassing van enkele onderdelen van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering en enige andere wetten in verband met het nieuwe procesrecht (Stb. 2005, 455), in werking getreden op 15 oktober 2005, de Wet tot aanpassing van het Burgerlijk Wetboek e.a. (Stb. 1995, 227), in werking getreden op 15 mei 1995 en de aanpassing van de Boeken 1 en 2 van het BW aan de Boeken 3-6 Nieuw BW (Stb. 1989, 541 en Stb. 1990, 90), in werking getreden op 1 januari 1992. Men zie over bestuurdersaansprakelijkheid ook art. 6:162 BW, aant. 8 onder f.
2. Aard van de vordering, verrekeningsverbod
In de literatuur bestaat discussie over de vraag of het hier gaat om een interne dan wel een externe aansprakelijkheid. Een meerderheid van de auteurs verdedigt het tweede standpunt. Zie hierover Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:138 BW, aant. 7. In HR 18 september 2009, LJN BI5912, NJ 2009/438; RO 2009/75 (Stichting Derdengelden Simon) kwalificeert de Hoge Raad de aansprakelijkheid op grond van art. 2:138/art. 2:248 als een aansprakelijkheid ‘jegens de boedel’. De Hoge Raad besliste in deze zaak dat de bestuurder zich in een tegen hem op grond van art. 2:138/art. 2:248 ingestelde procedure niet kan verweren met een beroep op compensatie met een vordering die hij heeft op de vennootschap. Deze beslissing is in 2021 gecodificeerd in het zesde lid van dit artikel. Alleen de curator is bevoegd de vordering op grond van dit artikel in te stellen, na daartoe door de rechter-commissaris te zijn gemachtigd (art. 68 lid 2 Fw). Deze vordering leent zich niet voor cessie (HR 7 september 1990, NJ 1991/52 (Den Toom)). De vordering op grond van art. 2:248 verjaart door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag waarop de curator zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke personen bekend is geworden (art. 3:310 lid 1). Zie hierover Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:138 BW, aant. 25.
3. Vereisten (lid 1, 6, 8 en 9)
Het artikel schept de mogelijkheid van aansprakelijkheid van iedere bestuurder van een vennootschap, indien aan de volgende vereisten is voldaan:
faillissement van de vennootschap;
kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur binnen de driejaarstermijn;
het is aannemelijk dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.
Kennelijk onbehoorlijke taakvervulling
De wet spreekt van kennelijke onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, maar dit moet worden gelezen als kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur of een bestuurder (Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman/Schoonbrood, Van de BV en de NV 2022/48). Tot de bestuurders worden gerekend zowel zij, die deze hoedanigheid hadden op het moment dat het faillissement werd uitgesproken, als ook degenen die bestuurder waren, toen het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk verrichtte. Degene die wel bestuurder was ten tijde van het uitspreken van het faillissement, maar niet ten tijde van het onbehoorlijk bestuur kan een beroep doen op lid 3. Zie hierover Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:138 BW, aant. 12.1. De curator is niet gehouden alle bestuurders te dagvaarden (zie Hof Den Haag 24 oktober 2000, JOR 2001/61 (Gijtenbeek)). De vraag of het bestuur zijn taak niet behoorlijk heeft vervuld, moet beoordeeld worden naar hetgeen het bestuur voorzag of kon voorzien op het moment dat het die taak vervulde (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 3). Hierbij moet worden opgemerkt dat het niet de bedoeling is bestuurders te straffen voor onopzettelijke domheden en beleidsfouten. Door het woord ‘kennelijk’ wordt uitgedrukt dat slechts een in het oog springende bij wijze van spreken elke twijfel uitsluitende onbehoorlijkheid van de taakvervulling in aanmerking moet worden genomen, met dien verstande dat het criterium ‘kennelijk onbehoorlijke taakvervulling’ een minder strenge toetssteen vormt dan ‘grove schuld of grove nalatigheid’ in art. 2:248 (oud) (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 21). Van kennelijk onbehoorlijk bestuur kan slechts worden gesproken als geen redelijk denkend bestuurder — onder dezelfde omstandigheden — aldus gehandeld zou hebben (HR 7 juni 1996, NJ 1996/695 (Van Zoolingen) en HR 8 juni 2001, JOR 2001/171 (Panmo)). Uit de wetsgeschiedenis volgt bovendien dat de bestuurders moeten hebben gehandeld met de (objectieve) wetenschap dat de schuldeisers zullen worden benadeeld (Handelingen II 1984/85, 16631, p. 6337; zie ook Wezeman, (diss.) 1998, p. 283-285). Uit HR 21 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2370 (Geocopter) volgt dat ook het in strijd met art. 2:246 BW aanvragen van het faillissement kan kwalificeren als kennelijk onbehoorlijke taakvervulling, mits komt vast te staan dat daardoor de belangen van de schuldeisers zijn geschaad en dat de bestuurder(s) wist(en) of behoorde(n) te weten dat dit het geval zou zijn. Bestuurders van concernvennootschappen dienen er rekening mee te houden dat voor elke tot het concern behorende vennootschap afzonderlijk moet worden beoordeeld of sprake is van onbehoorlijk bestuur. Het belang van het concern kan daarbij een rol spelen, maar dit kan niet doorslaggevend zijn in die zin dat het — zonder meer — prevaleert boven de belangen van de afzonderlijke concernvennootschappen. Het bestuur moet steeds een belangenafweging maken (HR 26 oktober 2001, NJ 2002/94 (Juno)). Het kennelijk onbehoorlijke bestuur moet hebben plaatsgevonden binnen een periode van drie jaren voor het faillissement (lid 6) (zie art. 249 lid 1 onderdeel 1° Fw voor het geval dat het faillissement is gevolgd op surseance van betaling). Valt het kennelijk onbehoorlijke bestuur buiten de driejarentermijn, dan kan de curator eventueel een vordering op grond van art. 2:9 instellen.
Het is aannemelijk dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement
De kennelijk onbehoorlijke taakvervulling behoeft niet de enige oorzaak van het faillissement te zijn, maar moet daaraan wel in belangrijke mate hebben bijgedragen. Het moet gaan om een oorzaak die een opvallende plaats inneemt in het geheel van factoren die tot het faillissement hebben geleid (Kamerstukken I 1985/86, 16631, nr. 27b, p. 8-9). Het is voldoende indien de curator in het faillissement het causaal verband tussen de onbehoorlijke taakvervulling en het faillissement aannemelijk maakt (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 26 en 28). Onvoldoende is dat de curator aannemelijk maakt dat de kennelijk onbehoorlijke taakvervulling als een voorwaarde voor het faillissement is te beschouwen (HR 24 januari 2014, NJ 2014/177, m.nt. PvS (Magista)).
4. Aansprakelijkheid voor het tekort (lid 1)
De bestuurders kunnen aansprakelijk worden gesteld voor de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. Onder de schulden kunnen ook de faillissementskosten worden gerekend (HR 10 september 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1053, NJ 1994/272 (De Zilverster)). Hieronder vallen ook de door de curator in het kader van de 248-procedure gemaakte proceskosten, zodat een proceskostenveroordeling achterwege kan blijven (zie J.B. Wezeman, Aansprakelijkheid van bestuurders, IVO-reeks deel 29, p. 343 en Rb. Utrecht 15 februari 2012, ECLI:NL:RBUTR:2012:BW0733, RI 2012/81, JOR 2013/16). Art. 248 biedt evenmin grondslag voor toewijzing van wettelijke rente, zie Van Bekkum en Stoppels, 'Kroniek bestuurdersaansprakelijkheid 2017' in VDHI deel 152, p. 23-24 (met verwijzingen naar rechtspraak). De curator hoeft geen causaal verband aan te tonen tussen de onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur en het tekort (Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:138 BW, aant. 15.1).
5. Wettelijke vermoedens (lid 2)
Wanneer het bestuur niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit art. 2:10 (boekhoudplicht) of art. 2:394 (tijdige publicatie van jaarrekening), dan wordt (onweerlegbaar) vermoed dat het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Deze onbehoorlijke taakvervulling wordt (weerlegbaar) vermoed een belangrijke oorzaak van het faillissement te zijn. Een redelijke uitleg van art. 2:248 lid 2 brengt mee dat ter weerlegging van het bewijsvermoeden volstaat dat de aangesproken bestuurder aannemelijk maakt dat andere feiten dan of omstandigheden dan zijn kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement zijn geweest (zie HR 23 november 2001, NJ 2002/95 (Mefigro) en HR 20 oktober 2006, NJ 2007/2 (Van Schilt)). Stelt de bestuurder daartoe een van buiten komende oorzaak en wordt de bestuurder door de curator verweten dat hij heeft nagelaten het intreden van die oorzaak te voorkomen, dan zal de bestuurder tevens feiten en omstandigheden moeten stellen en zo nodig aannemelijk maken waaruit blijkt dat dit nalaten geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert (HR 30 november 2007, NJ 2008/91 (Blue Tomato)). Naast van buiten komende oorzaken, kan ook het handelen of nalaten van een of meer bestuurders dat op zichzelf beschouwd geen onbehoorlijke taakvervulling oplevert — en waarvan dus niet gezegd kan worden dat geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden aldus zou hebben gehandeld — voldoende zijn voor ontzenuwing van het in het tweede lid neergelegde vermoeden (HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099 (Mobile Services)). Zie over dit belangrijke arrest: Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman/Schoonbrood (Van de BV en de NV 2022/48).
Publicatieplicht
Voor de vraag of tijdig aan de publicatieplicht is voldaan, is het uitblijven van een besluit tot verlenging van de termijn voor het opmaken van de jaarrekening (art. 2:210 lid 1) niet relevant (HR 11 juni 1993, NJ 1993/713 (Kempers en Sarper)). Dit betekent dat er bij de toepassing van lid 2 steeds van uit moet worden gegaan dat de jaarrekening binnen twaalf maanden na afloop van het boekjaar moet zijn gepubliceerd, zie het commentaar op art. 2:394 lid 3 BW. Voor boekjaren die zijn aangevangen voor 1 januari 2016 geldt op grond van de tot 1 november 2015 geldende publicatievoorschriften een uiterste termijn van dertien maanden. In geval van vereenvoudigde vaststelling van de jaarrekening van een BV op grond van art. 2:210 lid 5 BW (zie het commentaar op art. 2:210) geldt de ondertekening van de jaarrekening als vaststelling. Dan rijst de vraag of voor de toepassing van lid 2 geldt dat de jaarrekening moet zijn gedeponeerd binnen acht dagen na vaststelling (cf. art. 2:394 lid 1) of dat ook in dit geval de twaalfmaandstermijn van art. 2:394 lid 3 BW geldt. Zie hierover H. Beckman, 'Vereenvoudigde jaarrekeningvaststelling met automatische decharge: enkele opmerkingen over en bij art. 2:210 lid 5 BW' in: Eindeloos getob (IVOR nr. 125) 2022/12.4, die eerder aannemelijk acht dat in rechte zal worden aangehaakt bij de twaalfmaandstermijn.
Boekhoudplicht
Aan de eisen van art. 2:10 is voldaan indien de boekhouding van een zodanig niveau is dat men snel inzicht kan krijgen in de schuldenaren- en de schuldeiserspositie op enig moment en deze posities en de stand van de liquiditeiten gezien de aard en omvang van de onderneming een redelijk inzicht geven in de vermogenspositie (HR 11 juni 1993, NJ 1993/713 (Kempers en Sarper)). Uit HR 10 oktober 2014, RI 2015/2; JOR 2014/327 (FSM Europe) volgt dat ook andere elementen dan de schuldenaren- en schuldeiserspositie en de stand van de liquiditeiten van belang kunnen zijn voor de vraag of de boekhouding aan de eisen van art. 2:10 voldoet. Welke elementen dit zijn zal sterk afhangen van de aard van de onderneming. Zie nader over de boekhoudplicht: C.M. Harmsen, Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (diss. RUN), Serie Onderneming & Recht, deel 115, Deventer: Wolters Kluwer, 2019.
Onbelangrijk verzuim
Het verdient nog opmerking dat een onbelangrijk verzuim van het bestuur niet in aanmerking wordt genomen. Het gaat hierbij om de vraag of de schending van de publicatieplicht dan wel boekhoudplicht zo onbelangrijk is dat deze geen kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur oplevert. Dat betekent dat het geringe aandeel dat een individuele bestuurder in de schending heeft gehad niet door deze bestuurder kan worden aangevoerd als reden om een onbelangrijk verzuim aan te nemen (HR 1 november 2013, NJ 2014/7; RO 2014/7 (Verify)).
Het feit dat het belang bij openbaarmaking betrekkelijk is omdat de vennootschap geen of weinig activiteiten uitoefent of weinig of geen relaties heeft, kan geen reden zijn om aan te nemen dat sprake is van een onbelangrijk verzuim (HR 12 juli 2013, NJ 2013/401; RO 2013/69 (Apeldoornse Asbestsanering)).
Overschrijding van de voor publicatie van de jaarrekening geldende uiterste termijn met enkele dagen levert een onbelangrijk verzuim op (HR 11 juni 1993, NJ 1993/713 (Kempers en Sarper)). Of al dan niet sprake is van een onbelangrijk verzuim hangt niet alleen af van de duur van de overschrijding, maar van alle omstandigheden van het geval, in het bijzonder de redenen voor de overschrijding. Aan deze — door de bestuurder te stellen en zo nodig te bewijzen — omstandigheden moeten hogere eisen worden gesteld naarmate de termijnoverschrijding langer is (HR 2 februari 1996, NJ 1996/406 (Pfennings), HR 26 juni 1996, NJ 1996/730 (Transom), HR 28 juni 1996, NJ 1997/58 (Bodam) en HR 12 juli 2013, NJ 2013/401; RO 2013/69 (Apeldoornse Asbestsanering)). Andersom geldt dat in geval van een relatief geringe termijnoverschrijding geen hoge eisen zijn te stellen aan de verklaring die daarvoor wordt gegeven (HR 1 november 2013, NJ 2014/7; RO 2014/7 (Verify)). Ook omstandigheden die tot de risicosfeer van het bestuur behoren kunnen grond opleveren om een onbelangrijk verzuim aan te nemen. Zie HR 12 juli 2013, NJ 2013/401; RO 2013/69 (Apeldoornse Asbestsanering), waarin de te late openbaarmaking was terug te voeren op een misverstand bij een dyslectische bestuurder. Het ontbreken van de accountantsverklaring kwalificeert niet steeds als een onbelangrijk verzuim als er wel is gepubliceerd en de cijfers juist zijn. Anderzijds is het ook niet zo dat het ontbreken van de accountantsverklaring nimmer een onbelangrijk verzuim oplevert. Of sprake is van een onbelangrijk verzuim zal afhangen van de omstandigheden van het geval. Zie HR 20 oktober 2006, NJ 2007/2 (Van Schilt).
6. Disculpatiemogelijkheid (lid 3)
De taak ervoor te waken dat de vennootschap niet aan kennelijk onbehoorlijke taakvervulling failliet gaat, is een collectieve plicht. Dit was voor de wetgever echter kennelijk geen reden om de individuele bestuurder te belasten met risicoaansprakelijkheid voor het handelen van zijn medebestuurders (Huizink, GS Rechtspersonen, art. 2:138 BW, aant. 14). Lid 3 geeft derhalve iedere bestuurder de mogelijkheid zich te disculperen. Hiervoor is nodig dat de bestuurder bewijst dat hem geen verwijt treft van het kennelijk onbehoorlijk bestuur en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen ervan af te wenden. Zie HR 6 maart 2015, JOR 2015/107 (Zuid-Hollandse Glascentrale) waarin het arrest van het gerechtshof werd vernietigd omdat dit niet had vastgesteld dat de feitelijk bestuurder, die zich op lid 3 beriep, had bewezen dat hij niet nalatig was geweest in het afwenden van de gevolgen van het kennelijk onbehoorlijk bestuur. Een bestuurder die zijn stem onthoudt aan besluitvorming, die kennelijk onbehoorlijke taakvervulling impliceert en vervolgens door af te treden zijn verdere medewerking aan die taakvervulling onthoudt, is voldoende gedisculpeerd (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 19). Uit HR 1 november 2013, NJ 2014/7, m.nt. PvS (Verify), r.o. 3.8, volgt dat in een lid 2-geval de bestuurder die kan aantonen dat de schending van de publicatie- en/of de boekhoudplicht niet aan hem te wijten is vrijuit gaat. Volgens A-G Assink — in r.o. 3.24 van zijn conclusie bij HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1099 (Mobile Services) — volgt uit genoemde overweging van het Verify-arrest niet zonder meer dat de op grond van lid 2 aangesproken bestuurder zijn disculpatieverweer kan beperken tot diens rol bij de schending van art. 2:10 en/of 2:394 BW.
7. Matigingsbevoegdheid rechter (lid 4)
Het vierde lid geeft de rechter de bevoegdheid tot matiging van het bedrag waarvoor de bestuurders aansprakelijk zijn tot het bedrag van de schade die door het kennelijk onbehoorlijke bestuur is veroorzaakt (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 41). Voorts bestaat de mogelijkheid dat de rechter het bedrag waarvoor een individuele bestuurder aansprakelijk is matigt, wanneer die bestuurder slechts een deel van de tijd waarin de onbehoorlijke taakvervulling van het bestuur plaatsvond, in functie was. Uit HR 13 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:691, NJ 2022/184 volgt dat opsomming van de matigingsgronden in dit vierde lid limitatief moet worden opgevat. Dit is bevestigd in HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:635, NJ 2023/160, waarin tevens is geoordeeld dat lid 4 ook kan worden toegepast indien het boedeltekort niet groter is dan de door het kennelijk onbehoorlijk bestuur veroorzaakte schade (r.o. 3.2.3). In dit arrest overwoog de Hoge Raad bovendien dat de omstandigheid dat de bestuurder geen persoonlijk voordeel heeft genoten als gevolg van de onbehoorlijke taakvervulling in aanmerking kan worden genomen bij de beoordeling of de aard en ernst van de onbehoorlijke taakvervulling aanleiding tot matiging geven (r.o. 3.2.6).
8. Schadestaatprocedure (lid 5)
Staat het bedrag van het tekort, tot betaling waarvan bestuurder(s) zijn veroordeeld, niet vast, dan kan op grond van het vijfde lid gebruik gemaakt worden van een schadestaatprocedure. In deze procedure kan niet meer geklaagd worden over het door de curator gevoerde beheer (HR 20 juni 2008, NJ 2008/356; RO 2008/56). De invloed van de afwikkeling van de boedel door de curator op het tekort dient aan de orde te worden gesteld in het kader van de matiging op grond van art. 248 lid 4.
9. Medebeleidsbepalers en door de rechter/OK benoemde bewindvoerders/bestuurders (lid 7)
Medebeleidsbepaler
In lid 7 wordt de feitelijke bestuurder gelijkgesteld met de statutaire bestuurder. Onder feitelijke bestuurders zullen moeten worden begrepen zij die, als waren zij bestuurders, aan de statutaire bestuurders opdrachten geven, die door die bestuurders worden opgevolgd. Volgens de wetsgeschiedenis moeten onder feitelijke bestuurders worden begrepen personen, al dan niet met een officiële functie in de vennootschap, die haar beleid bepalen met terzijdestelling van het formele bestuur (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 24). Dit betekent niet dat de beleidsbepaler moet hebben bestuurd in plaats en met uitsluiting van het bestuur. De feitelijk beleidsbepaler moet zich ten minste een deel van de bestuursbevoegdheid hebben toegeëigend, en op die manier het beleid hebben bepaald of mede hebben bepaald als ware hij bestuurder. Uit het woord 'mede' in art. 2:248 lid 7 kan worden afgeleid dat dit ook het geval kan zijn in de situatie dat een of meer formele bestuurders hun taken als bestuurder bleven uitoefenen. Zie HR 24 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:445.
Op de medebeleidsbepalers rusten via het bepaalde in lid 2 wel de verplichtingen uit art. 2:10 en 2:394 (HR 23 november 2001, NJ 2002/95 (Mefigro)).
Ondernemingsraad
Géén feitelijke bestuurders zijn de leden van een ondernemingsraad indien zij handelen binnen de grenzen die aan hun medezeggenschap zijn gesteld (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 24).
Moedermaatschappij
Als feitelijke bestuurder in de zin van lid 7 zal onder omstandigheden ook de moedermaatschappij van een vennootschap kunnen worden begrepen (MvA, Kamerstukken II 16631, 6, p. 24). Men zie in dit verband tevens art. 2:11 met de daarbij gestelde aantekeningen. Hierbij verdient opmerking dat een rechtspersoon die geen formeel bestuurder maar medebeleidsbepaler van een andere rechtspersoon is onder de werkingssfeer van art. 2:11 valt (HR 14 maart 2008, RO 2008/29 (Lammers/mr. Aerts q.q.)). Dit betekent dat de aansprakelijkheid van art. 2:248 via art. 2:11 wordt doorgeschakeld naar de bestuurders van de beleidsbepalende rechtspersoon. Op buitenlandse rechtspersonen die optreden als (feitelijk) bestuurder is art. 2:11 niet van toepassing, zie HR 18 maart 2011, RO 2011/38 (D Group/Schreurs) en HR 21 juni 2013, NJ 2013/353; RO 2013/60 (MyGuide).
Uitzondering voor de rechter/OK benoemde bewindvoerder/bestuurder
Het artikel is niet van toepassing op door de rechter benoemde bewindvoerders en door de Ondernemingskamer benoemde bestuurders. De laatstgenoemde uitzondering betreft zowel de bestuurder die op grond van artikel 2:349a lid 2 BW aangesteld is bij wege van voorlopige voorziening als de bestuurder die aangesteld is bij een op grond van artikel 2:355 lid 1 BW getroffen voorziening (Kamerstukken II 2015/16, 34491, nr. 3).
10. Wanbeleid
Indien in het kader van een enquêteprocedure uit het verslag van de rapporteurs van wanbeleid (art. 2:355) blijkt, behoeft daarmee nog niet altijd van onbehoorlijke taakvervulling in de zin van dit artikel sprake te zijn (HR 10 januari 1990, NJ 1990/466 (Ogem)). Het omgekeerde zal eerder het geval zijn. Men bedenke daarbij dat voor het aannemen van wanbeleid in de zin van art. 2:355 niet nodig is dat aan bestuurders of commissarissen persoonlijk wanbeleid kan worden verweten. Zie ook HR 8 april 2005, JOR 2005/119 (Laurus): ‘Indien personen die deel uitmaken van de organen van de rechtspersoon door derden die als gevolg van wanbeleid schade hebben geleden aansprakelijk worden gesteld in een afzonderlijke, op art. 6:74 BW en/of art. 6:162 BW en/of art. 2:138/art. 2:248 BW gebaseerde, procedure, is de vaststelling van de ondernemingskamer dat van wanbeleid van de onderzochte rechtspersoon sprake is — behoudens cassatie — weliswaar bindend voor diegenen die in de tweede procedure van de enquête zijn verschenen en ofwel tot toewijzing van hetgeen verzocht en/of gevorderd is hebben geconcludeerd ofwel daartegen verweer hebben gevoerd, maar dit impliceert niet de persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van de organen van de rechtspersoon voor dat wanbeleid. De door de ondernemingskamer vastgestelde feiten staan in een aansprakelijkheidsprocedure ook niet op voorhand vast, zelfs niet behoudens tegenbewijs. Het oordeel van de ondernemingskamer dat van wanbeleid sprake is geweest, kan daarin onder omstandigheden wel de bewijsrechtelijke betekenis hebben dat de rechter, mede gelet op de inhoud van het door de onderzoekers opgestelde verslag en het daarover in de tweede procedure van de enquête gevoerde debat, voorshands bewezen acht dat de aangesproken persoon tegenover de rechtspersoon zijn taak niet heeft vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen.’ Zie uitvoerig over wanbeleid art. 2:355, aant. 2-5.
11. Voorschot op kosten rechtsvordering (lid 10)
Lid 10 verklaart art. 2:138 lid 10 van overeenkomstige toepassing. Op grond van dit lid is het mogelijk dat in het geval dat door het wanbeleid van bestuurders onvoldoende middelen bij de vennootschap aanwezig zijn om de in dit artikel bedoelde vordering in te stellen, de Minister van Justitie aan de curator op diens verzoek een voorschot daartoe verstrekt. Het verzoek behoeft de goedkeuring van de rechter-commissaris. Voor de voor de beoordeling van een dergelijk verzoek geldende regels zij verwezen naar de Garantstellingsregeling Curatoren 2023, Stcrt. 2023, 9704, d.d. 31 maart 2023.
12. Bestuursverbod
Op verzoek van de curator of het OM kan de rechtbank een bestuursverbod opleggen aan (feitelijke) bestuurders van wie bij onherroepelijke uitspraak is vastgesteld dat zij op grond van art. 2:248 aansprakelijk zijn voor het tekort van de gefailleerde vennootschap (art. 106a Fw). De persoon aan wie het verbod is opgelegd mag gedurende maximaal vijf jaren geen functie als bestuurder of commissaris van een rechtspersoon vervullen. Dat een (feitelijk) bestuurder op grond van art. 2:248 aansprakelijk is voor het tekort betekent nog niet dat dan ook steeds een bestuursverbod wordt opgelegd: het gaat hier om een discretionaire bevoegdheid van de rechter. Voor oplegging van zo’n ingrijpende sanctie moet er sprake zijn van een ernstig persoonlijk verzuim van de bestuurder (MvT, Kamerstukken II 2013/14, 34011, 3, p. 17). Het civielrechtelijk bestuursverbod is per 1 juli 2016 ingevoerd ter bestrijding van faillissementsfraude (Wet civielrechtelijk bestuursverbod, Stb. 2016, 153). Zie verder het commentaar van Verstijlen bij art. 106a-106e Fw.