Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/VI.8.2
VI.8.2 Beïnvloedingstest (België) en Relevanztheorie (Duitsland)
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178745:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hellemans 2001, p. 248 resp. KK-AktG/Noack/Zetzsche 2017, AktG § 243 Rn. 78.
Parl.St. Kamer 2017-18, nr. 54-3119/001, p. 52 (MvT WVV).
Braeckmans & Houben 2012, p. 440. Zie ook Hellemans 2001, p. 248-250 en Van Gerven 2016, p. 686-687.
MüKoAktG/Hüffer/Schäfer 2016, AktG § 243 Rn. 28 en KK-AktG/Noack/Zetzsche 2017, AktG § 243 Rn. 60, met verwijzingen in nt. 77.
Zie MüKoAktG/Hüffer/Schäfer 2016, AktG § 243 Rn. 31-32, KK-AktG/Noack/Zetzsche 2017, AktG § 243 Rn. 64 e.v., Spindler/Stilz/Drescher 2019, AktG § 243 Rn. 69-71 en MüKoGmbHG/Wertenbruch 2019, GmbHG Anh. § 47 Rn. 170- 172.
Voorbeelden ontleend aan KK-AktG/Noack/Zetzsche 2017, AktG § 243 Rn. 70. Het laatste voorbeeld heeft zich daadwerkelijk voorgedaan. Zie BGH 8 oktober 2013, NZG 2013, 1430: ‘Wird die Hauptversammlung in andere Räume als den eigentlichen Versammlungsraum nicht übertragen, wird das Teilnahmerecht des anwesenden Aktionärs selbst dann nicht beeinträchtigt, wenn die Übertragung in einen so genannten Präsenzbereich angekündigt worden ist. Eine Übertragung der Hauptversammlung in Vor- oder Nebenräume wie den Catering-Bereich, Raucherecken o.Ä. wird aktienrechtlich nicht verlangt.’
Bij de buren is het recht meer uitgesproken. Het geval van de Curaçaose Chinese Club zou naar Belgisch en Duits recht niet anders zijn beslist. Staat vast dat een telfout of al dan niet ten onrechte uitgebrachte stemmen op de uitslag van de stemming geen invloed hebben, dan kan de rechter niet vernietigen bij gebreke van belang van de eiser.1 Maar ook buiten zulke gevallen moet de fout in de besluitvorming enige invloed hebben gehad op het uiteindelijke besluit. In België geeft art. 2:41 WVV een beïnvloedingstest: een totstandkomingsgebrek leidt slechts tot nietigheid, als de eiser aantoont dat dat gebrek met ‘bedrieglijke opzet’ is veroorzaakt dan wel de beraadslaging of de stemming heeft kunnen beïnvloeden. Dit geldt onder andere bij een fout in de oproeping, besluiten buiten de agenda of zonder quorum.2 Het gaat niet om een mathematische exercitie, oftewel er geldt niet zoiets als een ‘regel van het rekensommetje’. Eiser moet aantonen dat mogelijk een ander besluit zou zijn genomen, als de besluitvormingsvoorschriften waren nageleefd. Wordt verzuimd een aandeelhouder met een klein minderheidsbelang op te roepen, kan dat tot vernietiging leiden, als aannemelijk is dat de door hem ter vergadering aangevoerde argumenten mogelijkerwijs tot een ander besluit hadden kunnen leiden.3
In Duitsland gold iets soortgelijks. De oude rechtspraak eiste dat de eiser een mogelijk causaal verband aantoonde tussen de fout in de besluitvorming en de uitkomst daarvan.4 Sinds 2000 echter tendeert het Bundesgerichtshof naar relevantie in plaats van causaliteit. De ‘Relevanztheorie’ vertrekt vanuit de gedachte dat het niet aan de meerderheid kan zijn om de rechten van de minderheid straffeloos te negeren; de minderheid heeft recht op deelname aan de besluitvorming. Relevant is daarom elke schending van een voorschrift dat ertoe strekt de uitoefening van een deelname-, spreek-, vragen- of stemrecht te waarborgen. Denk aan de oproepingstermijnen. Slechts als de schending de ‘besluitvormingsrechten’ van de minderheid niet heeft aangetast, moet vernietiging achterwege blijven.5 In de praktijk betekent dit dat alleen bij irrelevante bagatelfouten van vernietiging wordt afgezien. Als bijvoorbeeld het oproepingsbericht per abuis een verkeerd huisnummer vermeldt, blijft vernietiging achterwege als ter plekke ‘mit kurzen Nachfragen oder unter zeitgemäßen Medieneinsatz’ de plaats van vergadering te achterhalen valt. En als de beraadslagingen achterin of in een belendende zaal niet te horen zijn – omdat de geluidsinstallatie hapert – mag van een mondige aandeelhouder worden verwacht dat hij zich terstond tot het bestuur wendt.6 In deze voorbeelden blijven de besluiten in stand, omdat geen ‘besluitvormingsrecht’ is geschonden en dus niet aan de relevantie-eis is voldaan. Zo beschouwd stelt die eis maar weinig voor. Zij belet niet dat naar Duits recht besluiten zelfs in betrekkelijk formalistische gevallen vernietigbaar zijn. In de meer typische gevallen – denk aan een oproepingsverzuim, agenderingsfout of quorumgebrek – legt de relevantie-eis geen strobreed in de weg.