Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/6.4.3:6.4.3 Artikel 3:15i BW tijdens de schuldsanering
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/6.4.3
6.4.3 Artikel 3:15i BW tijdens de schuldsanering
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180330:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vergelijk het standpunt van Kortmann in het geval van faillissement in paragraaf 6.2.2.
Artikel 311 leden 1 en 2 Fw.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ook voor de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen geldt dat de Faillissementswet geen bepalingen bevat over de gevolgen van de toepassing ervan voor de administratieplicht en dat er maar beperkt relevante literatuur beschikbaar is.
Artikel 2:10 BW speelt geen rol in relatie tot de schuldsaneringsregeling aangezien de schuldsaneringsregeling niet open staat voor rechtspersonen. Hetzelfde geldt voor corporaties waarvoor artikel 2:10 BW van overeenkomstige toepassing is.
Over de gevolgen van het intreden van de schuldsaneringsregeling op de administratieplicht bevatten Boek 3 BW en de Faillissementswet geen bepaling. Ook bevat de Faillissementswet geen bepaling voor de bewindvoerder ter zake.
Omdat de schuldsaneringsregeling qua karakter en taak voor de bewindvoerder nauwer aansluit bij het faillissement dan bij de surseance van betaling, meen ik dat voor de invloed van de schuldsaneringsregeling op de administratieplicht ook aansluiting moet worden gezocht bij die in het geval van faillissement. Dat betekent dat voor de saniet – behoudens de hierna te bespreken uitzondering – de administratieplicht eindigt op het moment van het uitspreken van de schuldsaneringsregeling. Vanaf dat moment begint voor de bewindvoerder de verplichting een administratie te voeren, niet op basis van artikel 3:15i BW maar op grond van de eigen bepalingen in de Faillissementswet.1
De door mij bedoelde uitzondering doet zich voor in de situatie dat de rechter-commissaris bepaalt dat de saniet zijn bedrijf of zelfstandig uitgeoefende beroep mag voortzetten tijdens de schuldsaneringsregeling. In dat geval is de saniet bevoegd om alle noodzakelijke handelingen te verrichten die nodig zijn voor de normale uitoefening van het bedrijf of zelfstandig beroep, zij het dat hij wel toestemming nodig heeft van de bewindvoerder.2 In dat geval is de saniet degene die het bedrijf of zelfstandige beroep uitoefent in de zin van artikel 3:15i BW. Hoewel de Faillissementswet dit niet bepaalt, meen ik dat in dat geval de saniet ook gedurende de schuldsaneringsregeling gehouden is een administratie te voeren op grond van artikel 3:15i BW. Voor de bewindvoerder zou moeten blijven gelden dat hij een administratie voert van de schuldsaneringsregeling conform de bepalingen van de Faillissementswet.