Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/VI.2:VI.2. Het Erbvertrag of het gemeinschaftliches Testament?
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/VI.2
VI.2. Het Erbvertrag of het gemeinschaftliches Testament?
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS574428:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Nieder,Testamentsgestaltung, Rn. 819 e.v. voor een compleet overzicht.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het Duitse erfrecht is een belangrijke inspiratiebron. Niet alleen omdat Meijers bij het ontwerpen van de proeve van het huidige Boek 4 van het Burgerlijk Wetboek veel over de grens heeft gekeken, maar meer in het bijzonder omdat bleek uit par. 3.7 en par. 4.6 van hoofdstuk V dat erfrecht met bindende elementen in de Duitse praktijk veel voorkomt. Welk instituut, het Erbvertrag of het gemeinschaftliches Testament, spreekt het meest aan?
Wanneer men het Erbvertrag en het gemeinschaftliches Testament naast elkaar legt dan ziet men in hoofdlijnen de volgende verschillen en daarmee de voor- en nadelen. Een en ander kan gedistilleerd worden uit hetgeen in hoofdstuk V is beschreven.
Een bijzonder in het oog springend verschil tussen het Erbvertrag en gemeinschaftliches Testament is dat het Erbvertrag door iedereen gebruikt kan worden, terwijl het gebruik van het gemeinschaftliches Testament slechts voor gehuwden – en thans ook voor de ‘Lebenspartner’ – weggelegd is. Zelfs verloofden hebben dit instituut niet tot hun beschikking.
Het gemeinschaftliches Testament kan onderhands worden opgemaakt. Het Erbvertrag kan daarentegen slechts met tussenkomst van de notaris tot stand komen. Dit kan men zien als voordeel (Belehrung), maar ook als nadeel (kosten). Zelf zie ik het feit dat het gemeinschaftliches Testament onderhands kan worden opgemaakt als een groot euvel. Onderhandse testamenten zijn ‘ondingen’ en moeten bestreden worden, gelet op de complexiteit van het erfrecht en meer in het bijzonder gelet op de ingrijpende rechtsgevolgen die aan het gemeinschaftliches Testament verbonden kunnen zijn.
Het belangrijkste verschil is gelegen in het feit dat de binding bij het Erbvertrag meteen intreedt, met alle gevolgen van dien, terwijl bij het gemeinschaftliches Testament de binding eerst aanvang neemt na het overlijden van de eerststervende. Tijdens leven van beide echtgenoten is herroeping nog altijd mogelijk. Bovendien kan met het gemeinschaftliches Testament binding voorkomen worden door een verkrijging niet te aanvaarden. Dit is bij het Erbvertrag slechts mogelijk als een ‘terugtreedrecht’ is bedongen.
Wil van een Erbvertrag sprake zijn dan moet ten minste één beschikking bindend worden gemaakt (‘Verbot des Totalvorbehalts’). Bij een gemeinschaftliches Testament wordt deze eis niet gesteld, en kan derhalve ook zonder binding bereikt worden (door de binding ten aanzien van de betreffende beschikkingen uit te sluiten), dat de beschikkingen niet heimelijk kunnen worden herroepen. Testateurs kiezen dan alleen voor het ‘Offenheitsprinzip’.
Zie par. 4.3.2 van hoofdstuk V. Na overlijden van de eerststervende eén aanvaarding komt het gemeinschaftliches Testament grotendeels overeen met de werking van het Erbvertrag.
Bij een Erbvertrag is binding ook bereikbaar indien slechts één van de partijen beschikt (einseitiger Erbvertrag). Bij het gemeinschaftliches Testament wordt de ‘wechselbezüglichkeits-eis’ gesteld, hetgeen beschikkingen van beide zijden impliceert.
Overigens kan bij een gemeinschaftliches Testament slechts aan wechselbezügliche beschikkingen binding verleend worden. In deze zin biedt het Erbvertrag meer mogelijkheden.
Van geval tot geval zal in Duitsland bezien moeten worden, indien de testateur de mogelijkheid heeft om uit beide varianten te kiezen, welk instituut het best bij de erfrechtelijke wensen past.1
Gelet op de grote impact van de erfrechtelijke binding, en het feit dat ik er van uitga dat niet iedereen beseft wat deze binding voor hem of haar betekent, heb ik een voorkeur voor het gemeinschaftliches Testament. Wel zou het gemeinschaftliches Testament voor een grotere groep van personen open moeten staan.
In het bijzonder spreekt mij het ‘Offenheitsprinzip’ aan en het feit dat bij het gemeinschaftliches Testament het vergaande rechtsgevolg ‘binding’, zo gewenst, kan worden uitgesloten, terwijl dit bij het Erbvertrag niet mogelijk is. De mogelijkheid om te construeren dat een beschikking niet heimelijk kan worden herroepen, voldoet mijns inziens aan een behoefte. Ik verwijs naar tabel 14.
De algemene erfrechtelijke binding, die ook met het gemeinschaftliches Testament bereikt kan worden, is vergaand en – daarmee onder omstandigheden – gevaarlijk, zeker indien hiermee te standaardmatig wordt omgesprongen. Hiermee wil ik vanzelfsprekend niet de wens om de verwachting van de erfgenaam of legataris concreter te maken, dan met een gebruikelijke uiterste wilsbeschikking mogelijk is, bagatelliseren. Ik kom hier in par. 3 van dit hoofdstuk op terug.
Tabel 15
Welke van de onderstaande regelingen geniet de voorkeur, zo luidde vraag 13 van het veldonderzoek.
Een algemene regeling waarbij het mogelijk is contractueel (derhalve niet zo maar te herroepen) (een en ander met escapes) erfgenamen en legatarissen in te zetten.
Een regeling die het mogelijk maakt de langstlevende te binden aan zijn eigen testament, indien en nadat hij van de uiterste wil van de eerststervende heeft genoten (een en ander met escapes). Te denken valt aan beschikkingen door de langstlevende ten behoeve van familieleden van de eerststervende.
Een regeling die het mogelijk maakt te bepalen dat bepaalde beschikkingen slechts kunnen worden herroepen, nadat dit op een of andere wijze kenbaar is gemaakt aan bijvoorbeeld de andere echtgenoot (een en ander met escapes).
Een combinatie van b en c.
Totaal (226)
Familiepraktijk (37)
a.
algemene regeling
23%
16%
b.
binding na genot
34,5%
43%
c.
herroepen na kennisgeving
12%
11%
d.
combinatie
30,5%
30%
Een algemene regeling, waarbij men kan denken aan een regeling als het Erbvertrag, scoort in de groep Totaal 23% en in de Familiepraktijk 16,2%.
Blijkbaar heeft men de voorkeur voor het element ‘binding na genot’ van het gemeinschaftliches Testament. De combinatie van b en c, welke combinatie men kan vergelijken met het gemeinschaftliches Testament, scoort ook hoog. Mijn voorkeur voor het gemeinschaftliches Testament boven het Erbvertrag is vooral gelegen in het feit dat bij de eerste variant van een minder vergaande binding sprake is en op de valreep nog aan de binding ontsnapt kan worden. Vooral dat niet heimelijk tot een herroeping kan worden overgegaan, spreekt mij aan. Slechts een groep van ongeveer 11% van de respondenten deelt mijn enthousiasme over dit element, als solitaire regeling.
Het lijkt geen overbodige luxe voor het Duitse erfrecht dat de wetgever van beide regelingen het beste neemt en één overzichtelijke regeling ontwerpt. Dit om te voorkomen dat zelfs de notariële jurist door de bomen het bos niet meer ziet. Dit doet aan mijn bewondering voor het Duitse systeem niet af.