Quasi-erfrecht
Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/VI.6:VI.6. Quasi-erfrecht met een vleugje contractueel erfrecht
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/VI.6
VI.6. Quasi-erfrecht met een vleugje contractueel erfrecht
Documentgegevens:
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS581539:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Ik verwijs naar par. 1.7.1 van hoofdstuk III. Voor kritiek op het overgangsrecht in dit kader verwijs ik naar par. 1.15 van hoofdstuk III.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit par. 3.3.5 van hoofdstuk IV bleek dat het nieuwe erfrecht voldoende mogelijkheden biedt om de langstlevende partner verzorgd achter te laten. Met het quasi-erfrecht, denk bijvoorbeeld aan een verblijvingsbeding ‘om niet’werkend bij overlijden, krijgt de langstlevende zekerheid betreffende de verkrijging van bepaalde goederen. Dit is echter niet voldoende indien legitimarissen op de loer liggen. De quasi-legataris/partner weet immers niet of een legitimaris een eventueel ten laste van de quasi-legataris komend inkortingsresultaat spoedig na het overlijden kan opeisen. Het is van groot belang dat de langstlevende zekerheid heeft betreffende de niet-opeisbaarheidsclausule. Het enkele feit dat de overeenkomst niet herroepelijk is, is niet voldoende.1 Hier is contractueel erfrecht vereist, hetgeen tot een wetswijziging noopt. Art. 4:82 BW moet contractueel kunnen worden ingezet. De wetgever bepaalde al met art. 129 OW, voor oude contracten, dat de niet-opeisbaarheidsclausule in het contract wordt ingelezen, zodat het geen onoverkomelijke operatie en/of een niet te vervullen wens lijkt.
Heeft de wetgever er niet voldoende vertrouwen in dat het notariaat voorkomt dat de niet-opeisbaarheidsclausule ongenuanceerd en ondoordacht wordt gebruikt in overeenkomsten terzake des doods dan is het aan de wetgever om te bepalen dat, bijvoorbeeld, de clausule dwingendrechtelijk vervalt, althans het bindende aspect daarvan, indien zich bepaalde omstandigheden voordoen. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het starten van een echtscheidingsprocedure en dergelijke.
Hoewel dat niet primair mijn voorkeur heeft, zou de wetgever ook kunnen bepalen, indien de wetgever deze binding te ver vindt gaan, dat de niet-opeisbaarheidsclausule in het contract altijd ‘teruggetrokken’ kan worden door een te betekenen afschrift van een notariële akte aan de ander. Hiermee wordt immers in ieder geval voorkomen dat het opgewekte vertrouwen van de langstlevende wordt geschaad.
Tabel 17
Het lijkt overigens wel mee te vallen met het schenden van dat vertrouwen. Van de groep Totaal (247) gaf ongeveer 54% aan dat zij nooit hadden meegemaakt dat, zonder verbreking van de relatie, het testament heimelijk gewijzigd wordt in die zin dat de partner of diens familie met minder wordt bedacht dan in het oorspronkelijke (in elkaars bijzijn) gepasseerde testament (vraag 6). Van de groep Familiepraktijk (38) was dit ongeveer 66%. Tabel 17 geeft weer dat, in de gevallen dat men het überhaupt heeft meegemaakt, dit niet frequent is.
Totaal (112)
Familiepraktijk (13)
Welk percentage van de gevallen wordt heimelijk herroepen?
Percentage respondenten
Percentage respondenten
1%
81%
85%
2%
10%
7,5%
3%
2%
4%
1%
7,5%
5%
5%
10%
1%
Dit neemt niet weg dat het toch aan de orde is. Bovendien zal de herroeper zich waarschijnlijk, om een gênante situatie te besparen, tot een andere notaris wenden, die niet van het vorige testament op de hoogte is.
Naast de contractuele mogelijkheden met art. 4:82 BW, is een wijziging met betrekking tot art. 4:74 BW nodig. Ik verwijs naar par. 3.3.3 van hoofdstuk IV. Op de eerste plaats zou moeten worden toegestaan in de uiterste wilsbeschikking vast te leggen dat betaling van een opleg bij inkorting van een quasi-legaat (art. 4:122 BW) in termijnen plaatsvindt, indien en voor zover zonder de betaling in termijnen de voortzetting van het beroep of bedrijf in ernstige mate zou worden bemoeilijkt. Een en ander met een toets door de rechter, zoals ook voor art. 4:74 BW geldt. Thans moet men het in voorkomende gevallen hebben van de redelijkheid en billijkheid.
Bovendien moet de mogelijkheid worden geboden worden aan de ondernemer die opgevolgd wordt, zich contractueel te binden jegens de opvolger wat betreft de betaling aan legitimarissen van de opleg in termijnen. Dit beding moet dan vanzelfsprekend ook werken tegenover legitimarissen.
Om het quasi-contractuele erfrecht een kans te geven zou het een verbetering zijn om quasi-erfrechtelijke verkrijgingen, ook die niet een gift zijn, en zeker de quasi-legaten van art. 4:126 BW, onder een bewind te kunnen stellen of te kunnen clausuleren als bedoeld in art. 1:94 BW. Een legaat tegen inbreng is immers ook te clausuleren of onder bewind te stellen.