De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV
Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/10.5.5:10.5.5 Synthese
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/10.5.5
10.5.5 Synthese
Documentgegevens:
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS381860:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het belangrijkste uitgangspunt bij de invulling van het begrip ‘openbaar belang’ is dat de A-G geen particuliere belangen mag dienen. Dit betekent niet dat deze belangen niet relevant zijn bij beantwoording van de vraag of het openbaar belang in het geding is. Een veelheid van particuliere belangen bij een bepaalde aangelegenheid kan een openbaar belang opleveren. Daarbij is wel vereist dat boven deze particuliere belangen (meer) uitstijgende, algemene en zwaarwegende belangen in het geding zijn. Bij een onderneming met de omvang van Ogem is bijvoorbeeld de werkgelegenheid in een hele regio of bedrijfstak direct in het geding. Een ander voorbeeld vormt De Vries Robbé, waarin niet alleen de eigen belangen van de betrokken aandeelhouders op het spel staan, maar ook het openbare belang van – het toezicht op – een rechtmatige gang van zaken bij een aandelenemissies.
De A-G zal telkens expliciet duidelijk moeten maken welk openbaar belang zijn optreden rechtvaardigt. Er moet een specifiek openbaar belang gemoeid zijn met zijn optreden. De beoordeling of in een concreet geval sprake is van een openbaar belang is afhankelijk van de waardering van tal van feiten en omstandigheden. Als relevante omstandigheden gelden onder meer de omvang van de onderneming en het aantal van de op enigerlei wijze bij de financiële positie van die onderneming betrokkenen, alsmede de positie die de onderneming inneemt in de maatschappij. Dit betekent dat ook bij een kleine(re) onderneming met weinig aandeelhouders of werknemers het openbaar belang aan de orde kan zijn indien die onderneming een belangrijke regionale of nationale functie vervult. Men denke bijvoorbeeld aan een farmaceutisch bedrijf dat een cruciaal geneesmiddel produceert waar slechts 20 werknemers in dienst zijn.
Bij de beoordeling of sprake is van een openbaar belang kan ook meewegen dat de praktijk behoefte heeft aan een rechterlijke uitspraak die als richtsnoer kan dienen of waarvan een preventief effect kan uitgaan. De aanwezigheid van enkel deze omstandigheden brengen op zichzelf naar mijn mening echter niet mee dat aan het vereiste openbaar belang is voldaan.
Een openbaar belang ontbreekt niet om de enkele reden dat de rechtspersoon is ontbonden of in staat van faillissement verkeert, waardoor sanering en herstel van de verhoudingen niet meer mogelijk is. Dit hangt samen met de doeleinden van de enquêteprocedure. Naast sanering en herstel van de gezonde verhoudingen binnen de rechtspersoon, beschouwt de Hoge Raad de opening van zaken en de vaststelling wie verantwoordelijk is voor het mogelijk wanbeleid ook als een doeleinde. Gelet op die doeleinden staat het de OK vrij te volstaan met de uitspraak dat van wanbeleid is gebleken, zonder voorzieningen te treffen. Met een dergelijke declaratoire uitspraak maakt de OK duidelijk dat zij een bepaald gevoerd beleid van de rechtspersoon afkeurt. Hoewel de desbetreffende rechtspersoon zelf geen baat meer heeft bij die uitspraak, kan de A-G met het geconstateerde wanbeleid een zekere publieke veroordeling in het kader van het openbaar belang bewerkstelligen.
Gelet op het voorgaande zou ik het begrip ‘openbaar belang’ in het enquêterecht als volgt definiëren. Een openbaar belang kan in het geding zijn indien er gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken bij ondernemingen die een zodanige omvang dan wel functie binnen het maatschappelijk verkeer vervullen dat het mogelijke wanbeleid grotere groepen van belanghebbenden raakt. Dit betekent mijns inziens dat het enquêterechtelijke toezicht van het OM zich in ieder geval dient te richten tot OOB’s. Indien er aanwijzingen zijn dat er bij een OOB sprake is van mogelijk wanbeleid, mag een actieve opstelling verwacht worden van de A-G.