Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/3.3.5.2
3.3.5.2 Disclaimergebruik Belastingdienst: koerswijziging in de jaren 90
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661476:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Overdijk 1993, p. 61-62. Zie ook Lalji 1992, par. 4.
Zie de officiële reactie van het ministerie, aangehaald in Overdijk 1993, p. 60-61.
Overdijk 1993, p. 61-62 met vervolgens een kritische bespreking door Lalji.
Zie Lalji aan het woord in Overdijk 1993, p. 62 en in Lalji 1992.
Met een communicatieve blik ligt in het citaat van Lalji de impliciete aanname besloten van het communicatieve coöperatieprincipe en het maxime van kwantiteit (zie paragraaf 5.5.3).
Overdijk 1993, p. 62.
Begin jaren 90 heeft het Ministerie van Financiën zijn koers gewijzigd ten aanzien van het gebruik van disclaimers door de Belastingdienst.1 Sinds 1993 zal de zinsnede dat aan de informatie ‘geen rechten kunnen worden ontleend’ niet meer worden opgenomen in voorlichtingsmateriaal, zoals toelichtingen en brochures. Er zijn verschillende motieven gegeven voor de wijziging.
De aanleiding voor het besluit om niet langer disclaimers op te nemen was volgens de Centrale Directie Voorlichting van het Ministerie van Financiën dat:
‘het ministerie het niet gepast acht dat een overheidsorgaan zijn beleid – zij het informatief – aan iemand kenbaar maakt en vervolgens in ‘kleine lettertjes’ vermeld dat aan dit beleid geen rechten kunnen worden ontleend.’2
Deze lezing wordt niet door iedereen gedeeld. Volgens de journalist Overdijk is door ‘insiders’ beweerd dat het weglaten van disclaimers een politiek gedreven keuze is geweest:
‘De voornaamste overweging daarbij zou zijn geweest dat het beleidsstreven om de burgers in toenemende mate vanuit de belastingdienst over fiscale zaken te informeren, gefrustreerd zou worden als de voorlichting onder voorbehoud zou worden gegeven. Daarnaast zou het ministerie bij zijn beslissing om in de folders/brochures voortaan het voorbehoud weg te laten zich gerugsteund [sic] hebben gevoeld door de uitspraken van de Hoge Raad en het Gerechtshof (…) waarbij de toelichting op het aangiftebiljet als algemene en niet-bindende informatie werd gedefinieerd.’3
Voor zover deze insidersinformatie over de motieven bij het weglaten van disclaimers accuraat is, is de koerswijziging ontluisterend. Het vermeende motief betekent namelijk dat disclaimers zouden worden weggelaten omdat het beleidsmatig niet opportuun wordt geacht om de burger te informeren over het gebrek aan juridische gebondenheid van de Belastingdienst aan die informatie. De officiële verklaring van het Ministerie van Financiën impliceert een ‘coöperatief’ motief, de tweede impliceert een opportunistisch motief, hetgeen zich slecht verhoudt tot de aard van voorlichting als communicatie tussen de Belastingdienst en de burger en met de functie van voorlichting (paragraaf 2.3, 5.6.4, 5.7.4).
Het vermeende motief voor het staken van disclaimers komt verder aan bod in de reactie van Lalji op de koerswijziging van het Ministerie van Financiën. Hij kan zich niet aan de indruk kan onttrekken dat:
‘de beslissing van het ministerie om het uitdrukkelijke voorbehoud voortaan in de brochures weg te laten en ook bij de belastingtelefoon geen duidelijk voorbehoud te maken wordt ingegeven door een visie waarbij meer waarde wordt toegekend aan de wet van de grote getallen (“hoe meer telefoontjes hoe meer vreugd”) dan aan de rechtszekerheid van de burger.’4
Volgens Lalji brengt een gebrek aan een disclaimer mee dat burgers geen goed inzicht krijgen in de rechten die zij aan dergelijke informatie kunnen ontlenen. Het gevolg is dan, als ik hem goed interpreteer, dat zij op het verkeerde been (kunnen) worden gezet voor wat betreft hun rechtszekerheid.5 Ik leid uit zijn redenering af dat hij het onjuist acht dat de Belastingdienst zijn eigen belang zwaarder laat wegen dan de rechtszekerheid van de burger. Hij meent dat de Belastingdienst wél een voorbehoud zou moeten opnemen.
Overdijk werpt de vraag op of de beslissing van het Ministerie om het voorbehoud voortaan weg te laten – voorlichtingstechnisch gezien – verstandig en noodzakelijk was.
‘Zou de gemiddelde Nederlandse burger het als ongepast ervaren als de belastingdienst uitlegt dat het de inspecteur is die in individuele gevallen uiteindelijk beslist? En zouden de burgers – als zij daarop expliciet zouden worden gewezen – de voorlichting via de folders/brochures van de belastingdienst niet meer serieus nemen? Zelfs niet als aan de burger wordt uitgelegd dat het verstrekken van informatie die achteraf onjuist blijkt en het optreden van verschillen in interpretatie van de inhoud van voorlichtingsbrochures tot de uitzonderingsgevallen moet worden gerekend? Dit lijkt wat al te somber.’6
In de vragen van Overdijk ligt verscholen dat disclaimers vanuit communicatief oogpunt een andere functie vervullen dan de juridisch veronderstelde functie waarin een disclaimer louter ertoe strekt om aansprakelijkheid uit te sluiten. Voorbehouden kunnen, mits adequaat gebruikt, namelijk ervoor zorgen dat de burger niet op het verkeerde been wordt gezet. In communicatief opzicht kan een goed gehanteerde disclaimer daarom soms onmisbaar zijn, zoals de taalkundige strategie van ‘hedging’ toont (paragraaf 5.7.3). Met communicatieve kennis over de functie van disclaimers komt de juridische en praktische vraag op of het eenvoudigweg weglaten van een voorbehoud in voorlichting wel wenselijk is (paragraaf 5.7.3, 6.2).