Einde inhoudsopgave
Antichresis en pandgebruik (O&R nr. 125) 2021/3.2.1
3.2.1 Beding van pandgebruik: pactum antichreticum
mr. R. Bobbink, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. R. Bobbink
- JCDI
JCDI:ADS264500:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1411-1412 (ad D. 13,7,33) en p. 1889-1890 (ad D. 20,1,11,1); Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D. 20,1,1,3, D. 20,1,11,1; Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 5.5.10; Donellus, Commentariorum in Codicem Justiniani II, p. 431, nr. 2 (ad C. 4,32,17). Heusler 1886, p. 142; Génestal 1901, p. 47; Levy 1987, p. 246.
Accursius, Glossa Ordinaria, Digestum Vetus, p. 1391-1392 (ad D. 13,7,1pr) en 1396 (ad D. 13,7,9,2); Bartolus, Super secunda digesti veteris, ad D. 13,7,1 en D. 13,7,9,2; Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 1.1.1 en 3.1.1; Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 2.1.
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 3.1.1; Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 6.1-6.2 en 7.1; Heusler 1886, p. 141-142.
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 2.3.8.
Bartolus, In primam codicis partem, ad C. 4,24,3 (additio); Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 2.2.43-2.2.44; Heusler 1886, p. 141-142; Génestal 1901, p. 22-24; Planitz 1982, p. 78-81 en 88; Ganshof 1982, p. 228; Landwehr 1967, p. 164-165; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 374.
Negusantius, De pignoribus et hypothecis, nr. 3.1.3; Donellus, De Pignoribus et hypothecis, nr. 6.2; Génestal 1901, p. 28.
Heusler 1886, p. 142; Génestal 1901, p. 28 en 47. Voorbeelden van (transcripten van) pandaktes zijn te vinden in Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 373-379. Zie voorts: Génestal 1901, p. 1 e.v; Van Werveke 1929, p. 58-87; Vercauteren 1947, p. 3-9; Godding 1987, p. 366-367 en 370-372.
De Blécourt 1939, p. 373-374; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 345-346; Brühwiler 1984a, p. 684.
Planitz 1982, p. 46-48.
Een ander voorbeeld van een pandakte met een beding van pandgebruik is volgens Van den Bergh en Kossmann-Putto te vinden in Kossmann-Putto 1955, nr. 148; Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 377.
Hier is opmerkelijk dat een het recht van pandgebruik komt te rusten op een deel van het huis.
Cerutti/Van den Bergh 1972, p. 376. De vertalingen van pandaktes in dit hoofdstuk zijn, tenzij anders aangegeven, ontleend aan Cerutti/Van Den Bergh.Universis presentes inspecturis nos, Rutgherus Oppenwerve et Jacobus Mauricii, scabini in Arnem, notum facimus protestantes quod propter hoc coram nobis in forma [sca]binatus personaliter constitutus Walewarus filius quondam Jacobi Brunonis, obligavit titulo pignoris Henrico Fissie et Martino fratri dicti Henrici dimidiam domum lapideum cum dimidietate taberne dicte domui assisstente et duo viridaria dicte domui adiacentia pro XXV marcis et XXI denariis Brabantine monete que quidem domus taberna ac viridaria olim fuerant Jacobi Brunonis supra memorati.Ita videlicet quod dicta Henricus et Martinus omnia lucra a dictis domo lapideo, taberna et viridariis proventiura recpient et habebunt donec eisdem dicta pecunia plenarie sit soluta. [Ik ben bij deze alinea afgeweken van de Nederlandse vertaling van Cerutti]Datum anno Domini MCCC sexto, feria tercia post Ascensionem Domini.
De vuistpandhouder kon een recht van pandgebruik verkrijgen op grond van een daartoe strekkend nevenbeding in de pandovereenkomst.1 Voor de vestiging van een recht van pignus, vuistpand, was vereist dat de zekerheidsgerechtigde de feitelijke heerschappij over het onderpand verkreeg. Bij roerende zaken diende de pandgever het onderpand aan de pandhouder te overhandigen. Bij onroerende zaken diende de pandgever de pandhouder in staat te stellen de feitelijke macht over het onderpand uit te oefenen.2 Voorts waren voor de vestiging een geldige titel (bijvoorbeeld een pand- of hypotheekovereenkomst) en beschikkingsbevoegdheid vereist.3 In de middeleeuwen kon een pandrecht niet alleen rusten op de juridische eigendom van een onroerende zaak, maar ook op dominium utile.4 Het dominium utile werd belichaamd in leenrechten: de juridische eigenaar (leenheer) gaf het dominium utile in leen aan een leenman. De leenman kon dit recht verpanden. Daarvoor gold, naast de gebruikelijke totstandkomingsvereisten, als aanvullend vereiste de toestemming van de juridische eigenaar, de leenheer.5
Een akte was voor de vestiging van een vuistpandrecht niet nodig.6 In de praktijk maakten partijen echter vaak wel een akte op van de vestiging van het recht van pand. In zulke aktes kwam veelvuldig een beding van pandgebruik (pactum antichreticum) voor.7 In aanvulling op het ius commune kon de plaatselijke gewoonte meebrengen dat zulke aktes door een daartoe bevoegde ambtenaar werden opgenomen in een register.8 Een voorbeeld hiervan is het pandregister van de Habsburgdynastie. De Habsburgse vorsten hielden vanaf de dertiende eeuw een register aan waarin zij alle pandtransacties verwerkten waarbij zij partij waren.9
Ook in de Nederlanden zijn pandakten met een beding van pandgebruik bewaard gebleven.10 Een voorbeeld is een Arnhemse pandakte waarin een recht van pandgebruik kwam te rusten op de helft van een stenen huis, de helft van een herberg en twee tuinen.
“Aan allen die deze akte zullen zien, geven wij, Rutger Oppenwerve en Jacob Mauricii, schepenen in Arnhem, kennis en verklaren dat Walewarus zoon van wijlen Jacob Bruno, persoonlijk daartoe in onze tegenwoordigheid gekomen, ten overstaan van ons, als schepenen optredend, voor 25 mark en 21 denariën als pand heeft verbonden ten behoeve van Hendrik Fissia en Martinus, diens broeder, de helft11 van een stenen huis met de helft van de herberg en van twee tuinen, daaraan grenzend, welk huis, herberg en tuinen vroeger toebehoorden aan Jacob Bruno bovengenoemd.
Met dien verstande dat genoemde Henricus en Martinus alle voordelen die voortkomen uit genoemd stenen huis, herberg en tuinen, zullen ontvangen en behouden totdat deze som volledig zal zijn betaald.
Gegeven in het jaar des heren 1306, Dinsdag na ’s Heren Hemelvaart.”12
Het beding van pandgebruik is te vinden in de tweede alinea. Uit deze alinea blijkt dat de pandhouder gerechtigd was tot de vruchten van het onderpand.