Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/12.5.1
12.5.1 Inleiding
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS498360:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. EHRM 10 september 2002 (Allen t. Verenigd Koninkrijk), FED 2003/589 (m.nt. Thomas); NJCM-Bulletin 2003, p. 160, § 1. Nadien herhaald in EHRM 8 april 2003 (King t. Verenigd Koninkrijk), § 2.
EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic t. Zweden),BNB 2003/2 (m.nt. Feteris), § 115. In pt. 16 van zijn noot wijst Feteris erop dat het massale karakter van overtredingen van de belastingwetgeving, voor het Hof ook aanleiding was om te aanvaarden dat deze overtredingen in eerste instantie worden afgedaan door het bestuur, ook als het daarbij om hoge boetes gaat. Vgl. EHRM 24 februari 1994 (Bendenoun t. Frankrijk),BNB 1994/175 (m.nt. Wattel), § 46. Dat de invloed van art. 6 EVRM in het belastingrecht kan worden ingeperkt met een beroep op het bijzondere karakter van dit rechtsgebied, is eerder betoogd door Van der Linden 1991, p. 54-55. Zie ook het standpunt van de Nederlandse regering, als vermeld door Schutte in zijn noot onder het Funke-arrest, WFR 1994/6100, p. 624. De afweging tussen het belang van de verdachte bij een behoorlijk strafproces en overige maatschappelijke belangen is ook bepleit door Smit 1993, p. 86.
De samenhang van de onschuldpresumptie en het recht tegen gedwongen zelfbelasting kwam terloops ter sprake in § 1.8.3.
EHRM 21 april 2009 (Marttinen t. Finland), NJ 2009, 557 (m.nt. Schalken); FED 2009/69 (m.nt. Thomas), § 74.
Zie de voorlaatste noot.
In zijn nemo tenetur-rechtspraak heeft het EHRM zich meermaals uitgelaten over de aard en betekenis van het publieke belang van de handhaving van specifiek belastingvoorschriften en de daarmee verband houdende meewerkverplichtingen van burgers. In het arrest in de zaak Allen overweegt het Hof bijvoorbeeld dat de verplichting om aangifte te doen van bezittingen niet aan art. 6 EVRM raakt, hoewel het niet nakomen daarvan wordt bedreigd met een (punitieve) sanctie. De aangifteplicht is volgens het Hof een normaal verschijnsel binnen de belastingsystemen van de verdragsstaten en het is moeilijk voorstelbaar dat die zonder die verplichting effectief zouden functioneren.1
Uit de zaak Västberga Taxi Aktiebolag en Vulic volgt meer expliciet dat het Hof oog heeft voor de afhankelijkheid van de overheid van belastinginkomsten en het massale karakter van de belastingheffing die steunt op de informatieverstrekking van burgers.2 Het massale karakter van de belastingheffing en de uniforme toepassing van sancties wegens onjuiste of onvolledige informatieverstrekking vereist dat die sancties worden opgelegd op basis van gestandaardiseerde regels, die de gelding van de (met nemo tenetur verwante) onschuldpresumptie in art. 6, lid 2 EVRM in (punitieve) belastingzaken kunnen beperken.3 Daarbij in acht te nemen minimumwaarborgen zijn volgens het Hof de redelijke uitoefening van bevoegdheden en onafhankelijk toezicht door een toegankelijke rechter die elk bewijsmiddel vrij kan waarderen.4 Het arrest lijkt te bevestigen dat de opvattingen van het Hof over de betekenis van het publieke belang in (fiscale) nemo tenetur-zaken in ontwikkeling zijn. Vooral ‘s Hofs overweging dat rekening wordt gehouden met de afhankelijkheid van de overheid van belastinginkomsten, is in de woorden van Wattel een opmerkelijke wending ten opzichte van de ferme taal in § 44 van het Funke-arrest en § 74 van het Saunders-arrest.5 Hier past inmiddels wel de kanttekening dat het Hof in de zaak Marttinen weer uitdrukkelijk naar deze beide overwegingen verwijst ter weerlegging van het standpunt van de Finse regering dat het effectief functioneren van de in het geding zijnde nationale procedure een inperking van het recht tegen gedwongen zelfbelasting rechtvaardigt.6 Recentere arresten van het Hof hebben mijns inziens niet geleid tot meer duidelijkheid over de betekenis van het publieke belang in (fiscale) nemo tenetur-zaken.
Overigens is Wattel van mening dat de afhankelijkheid van de overheid van belastinginkomsten juist tot extra alertheid zou moeten nopen, in plaats van tot het gemakkelijker omgaan met de eisen van art. 6 EVRM, nu dat gegeven de overheid juist extra partijdig maakt in strafachtige procedures over (vermeende) fiscale fraude of nalatigheid.7 Dit op zichzelf plausibele standpunt vindt bij mijn weten geen steun in de Straatsburgse rechtspraak.