Het rechterlijk bevel en verbod als remedie
Einde inhoudsopgave
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/10.3.5:10.3.5 De congruentie-eis en de vrijheid van de rechter
Het rechterlijk bevel en verbod als remedie (BPP nr. XXIII) 2023/10.3.5
10.3.5 De congruentie-eis en de vrijheid van de rechter
Documentgegevens:
mr. drs. J.J. van der Helm, datum 01-01-2023
- Datum
01-01-2023
- Auteur
mr. drs. J.J. van der Helm
- JCDI
JCDI:ADS692112:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Nuninga 2018. Zie ook Nuninga 2022, p. 50.
In gelijke zin: Asser Procesrecht/Boonekamp 2020/21, met verdere verwijzingen.
HR 27 april 1962, ECLI:NL:HR:1962:121, NJ 1962/254, m.nt. J.H. Beekhuis (Holst/Philips).
HR 21 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC369, NJ 2002/217, m.nt. T. Koopmans (kernwapens).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
621. Het bevel en verbod kunnen uitsluitend betrekking hebben op rechtsplichten die geschonden zijn of geschonden dreigen te worden. Aan een partij kan geen bevel of verbod worden opgelegd ten aanzien van handelen dat niet onrechtmatig is. Eerder in dit boek (paragraaf 7.4) noemde ik dat, in navolging van Nuninga, de congruentie-eis.1 Die heeft ook in kort geding te gelden. Ook de rechter in kort geding spreekt immers recht en heeft niet een louter ordenende taak.2 Wanneer dat anders zou zijn, zou het sterk afhankelijk van de persoonlijke opvattingen van een voorzieningenrechter kunnen zijn hoe een bepaalde zaak zou aflopen. Er zijn nu juist rechtsregels om het gedrag van partijen te sturen. Dat betekent dat ook in de hiervoor weergegeven (ruime) opvatting van Boonekamp een door de voorzieningenrechter wenselijk geacht bevel of verbod slechts onrechtmatig handelen kan betreffen.
622. Een aan de jurisprudentie ontleend (bekend) voorbeeld maakt de werking van de congruentie-eis duidelijk. Philips hield een gesloten verkooporganisatie in stand waarbij zij al dan niet via groothandels uitsluitend aan door haar erkende ‘grossiers en detaillisten’ producten verkocht. Aan die grossiers en detaillisten legde Philips bovendien minimum verkoopprijzen op, terwijl zij verder bedong dat de producten uitsluitend aan particulieren zouden worden verkocht. Holst was niet (langer) een door Philips erkende verkoper, maar verkocht niettemin producten van Philips en hield zich daarbij ook niet aan de door Philips bepaalde prijzen. Holst verkreeg die producten van verkopers die jegens Philips gehouden waren die goederen niet aan Holst te verkopen. Philips vorderde in kort geding een verbod op die handelwijze.
623. De president in kort geding wees de vordering af, maar het hof oordeelde dat het handelen van Holst onrechtmatig was omdat Holst ‘opzettelijk gelegenheid heeft gegeven tot het plegen van vorenomschreven naar haar eigen voorstelling in grote getale gepleegde wanprestaties’. Holst wist immers dat verkoop aan hem in strijd was met de instructies van Philips aan haar ‘erkende’ afnemers, maar gaf gelegenheid tot wanprestatie door aan die afnemers het doen van aanbiedingen uit te lokken, en vervolgens tot het verkopen van de producten van Philips met een korting. Philips kan daardoor schade lijden en had zodoende belang bij het gevorderde verbod, aldus het hof. De Hoge Raad overwoog evenwel dat het hof niet had geoordeeld over de vraag of het handelen van Holst ook onrechtmatig zou zijn indien hij de goederen niet onder de door Philips vastgestelde prijzen verkocht. Het verbod had dan ook niet tevens die gedragingen mogen omvatten omdat niet was vastgesteld dat die ook onrechtmatig waren.3 Het arrest illustreert aldus de samenhang die nodig is tussen de geschonden norm en het uit te spreken verbod.
624. Iets dergelijks deed zich op wat abstracter niveau voor bij de kernwapen-zaak. Gevorderd werd, samengevat weergegeven, een verklaring voor recht dat de inzet van kernwapens of betrokkenheid daarbij, onrechtmatig is. Omdat niet door de burgerlijke rechter op voorhand kan worden geoordeeld dat de inzet van kernwapens in alle gevallen onrechtmatig zal zijn, maar beantwoording van die vraag afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval, is een gevorderde verklaring voor recht die niet met al die omstandigheden rekening houdt, onvoldoende concreet.4 Ook in dat oordeel is terug te lezen dat een veroordelend dictum beperkt moet zijn tot een onrechtmatige gedraging en niet ook de rechtmatige toepassing van – in dit geval – kernwapens mag omvatten. Bij een verklaring voor recht zoals in die zaak aan de orde was, spreekt dat vanzelf, maar bij een rechterlijk bevel en verbod is dat niet anders.
625. De vrijheid van de rechter wordt dus ook door die congruentie-eis beperkt. Wanneer de rechter overweegt iets toe te wijzen dat het mindere is dan gevorderd, moet hij wel nagaan of de grondslag van het gevorderde ook dat mindere dekt en of het bevel of verbod dat wordt uitgesproken niet verder gaat dan de onderliggende rechtsplichten.