Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/18.7.1:18.7.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/18.7.1
18.7.1 Wat is het juridische begrip van godsdienst?
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455213:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Dit algemeen bijzonder onderwijs wordt juist gekenmerkt doordat het bewust geen specifieke religieuze of levensbeschouwelijk grondslag heeft. Anders dan het openbaar onderwijs wordt dit onderwijs niet gereguleerd door de gemeente maar net als het overige bijzonder onderwijs door een vereniging of een stichting.
Guldenmond, TvRRB 2015-3, p. 39.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit de wetsgeschiedenis en de literatuur blijkt dat de grondwetgever bij de term richting primair dacht aan godsdienst en levensbeschouwing. De grondwetgever lijkt echter principieel ruimte te hebben gelaten voor andere richtingen dan godsdienst of levensbeschouwing. Wat dat betreft heeft de term een open definitie met als belangrijke nuancering dat het niet de bedoeling van de grondwetgever is geweest om onder richting ook de wijze van onderwijs, bijvoorbeeld pedagogische inzichten te scharen. Uit de Grondwetsgeschiedenis valt op te maken dat de Grondwetgever niet nader heeft bepaald wat godsdienst of levensbeschouwing is.
De term richting is wel geobjectiveerd in de wetsgeschiedenis van en de jurisprudentie over de Leerplichtwet 1969. Uit de wetsgeschiedenis van de Leerplichtwet 1969 valt af te leiden dat de Leerplichtwetgever de term richting definieert als een redelijk statisch of vaststaand gegeven: wanneer een kind eenmaal is ingeschreven bij een school van een bepaalde richting dan kunnen de ouders of verzorgers achteraf geen bezwaar meer maken tegen de richting van die school. Deze benadering getuigt niet van een subjectiverende uitleg van de term richting omdat er geen rekening wordt gehouden met eventuele bekeringen van of veranderingen in geloofsopvattingen van de ouders.
In de jurisprudentie omtrent de richtingsbezwaren tegen de leerplicht wordt expliciet gesteld dat het begrip richting alleen godsdienst en levensovertuiging dekt. In de jurisprudentie over dit type richtingsbezwaren is bepaald dat dit begrip enkel ziet op ‘welbepaalde’ godsdiensten of levensbeschouwingen. Deze objectivering van de term richting berust op een autonome definiëring van de term richting door de rechter en maakt het voor de rechter mogelijk om onduidelijke geloofs- en levensbeschouwelijke opvattingen niet te erkennen als richting in de zin van richtingsbezwaar. Hierbij kan men aantekenen dat de term ‘welbepaald’ een vage term is die de rechter de ruimte geeft om richtingsbezwaren niet als zodanig te erkennen. In het kader van de richtingsbezwaren tegen de leerplicht speelt de kwalificatie van het bezwaar als godsdienstig of levensbeschouwelijk een ondergeschikte rol omdat de meeste procedures stranden aangezien niet is voldaan aan formele of procedurele vereisten. Het bezwaar is dan bijvoorbeeld niet gericht tegen de richting van een concrete school. De rechter komt dan niet toe aan de kwalificatievraag.
Ook in de jurisprudentie over de subsidiëring van het leerlingenvervoer is de term richting geobjectiveerd. Daarin is gesteld dat godsdienst en levensbeschouwing moeten doorwerken op ‘alle terreinen van het leven’ willen ze erkend kunnen worden als richting. Deze eis lijkt de rechter autonoom te hebben bepaald (autonome definiëring). Hij verwijst hiervoor niet naar opvattingen van derden of de wetsgeschiedenis. Ten slotte wordt in deze jurisprudentie de eis gesteld dat er pas sprake is van richting wanneer een godsdienstige of levensbeschouwelijke stroming zich breed in de maatschappij bekend heeft gemaakt (geopenbaard). Dit kunnen we ook zien als een autonome uitleg (definiëring) van de term richting. Ook hier verwijst de rechter niet naar opvattingen van derden of de wetsgeschiedenis. Wat godsdienst of levensbeschouwing is wordt niet nader uiteengezet.
Om te bepalen of een richtingsbezwaar tegen de meer nabij gelegen school kan worden gekwalificeerd als een bezwaar op grond van godsdienst of levensbeschouwing hanteert de rechter een objectiverende kwalificatie. De rechter toetst aan de hand van maatstaven die liggen buiten het rechtssubject (de ouders) of het bezwaar gekwalificeerd kan worden als een richtingsbezwaar. In het verleden werd er door de rechter getoetst aan de statuten van de betreffende scholen. Hij vergeleek daarbij de statuten van de gewenste school van de ouders met de dichtstbijzijnde school. Problematisch hieraan is dat een dergelijke toets op gespannen voet staat met het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid aangezien het bevoegd gezag van de scholen de aangewezen instantie is om de statuten, en de daarin neergelegde grondslag, uit te leggen en niet de rechter. De laatste jaren zijn er enkele zaken waarin de rechter als objectieve maatstaf de registratie in een landelijk register genaamd BRIN gebruikt. Het voordeel hiervan is dat register uitgaat van de richting van een school zoals die door het bevoegde gezag van een school wordt uitgelegd.
Tot slot is de term richting geobjectiveerd in de wetsgeschiedenis van en de jurisprudentie over de oprichting van de bijzondere school. In de periode direct na de inwerkingtreding van de Grondwet van 1917 speelde de term ‘richting’ bij de oprichting van een bijzondere school geen rol. In tegenstelling tot de huidige wetgeving was het geen vereiste dat een bijzondere school bij de oprichting een bepaalde richting had. Dit veranderde door een uitspraak van de Kroon in 1933. Die bepaalde in een zaak met betrekking tot het leerlingenvervoer dat slechts voor bekostiging in aanmerking zou worden gebracht ‘… bijzonder onderwijs, dat uitgaat van een van de richtingen, welke zich in het Nederlandse volk op geestelijk terrein openbaren’. Vanaf toen gold in algemene zin dat de bijzondere school diende uit te gaan van een bepaalde richting. Deze eis is door de huidige wetgever neergelegd in de WPO en de WVO. In de literatuur stelt men dat de wetgever met het begrip richting een erkende richting bedoelt. Dat wil zeggen dat de staat in de persoon van de minister (of staatssecretaris) of de bestuursrechter deze richting heeft erkend. Op dit moment zijn de volgende richtingen door de minister of de rechter erkend: rooms-katholiek, algemeen christelijk, evangelisch, gereformeerd, protestants-christelijk, reformatorisch, de richting van de evangelische broedergemeente, joods, islamitisch, hindoeïstisch, antroposofisch, algemeen bijzonder,1 en humanistisch.2
Op grond van de jurisprudentie over de oprichting van bijzondere scholen kunnen de volgende conclusies worden getrokken over de betekenis van de term richting. Ten eerste heeft deze term betrekking op godsdienst of levensovertuiging. Ten tweede moet een geestelijke stroming om als richting te kunnen worden aangemerkt voldoende onderscheidend zijn van bestaande stromingen. Ten derde veronderstelt de term richting een geestelijke stroming die zich kenbaar heeft gemaakt als een wezenlijke onder Nederlandse volk levende ‘zaak’. Ten vierde dient er, indien gekozen wordt voor het oprichten van een school op basis van een combinatie van richtingen, aan de eis te worden voldaan dat de belangstelling voor de ene richting opgeteld bij de belangstelling voor de andere richting een totaal oplevert dat representatief is voor de belangstelling voor een combinatie van die twee richtingen. De laatste drie eisen aan het richtingbegrip zijn tot stand gekomen door autonome definiëring van de term richting door de rechter.
Ook kan worden geconcludeerd dat in de meeste zaken de statuten en de verklaringen van het bevoegd gezag voor de rechter niet voldoende waren om de geestelijke stroming als een richting te kwalificeren. We komen een dergelijke subjectiverende kwalificatie slechts eenmaal tegen. Verder zien we in bovenstaande zaken een wisselend beeld in de wijze van kwalificeren. We zien dat in de oudere zaken wat vaker een autonome kwalificatiewijze is toegepast dan in de recentere. Daarin kwalificeert de rechter vaker objectiverend. Hij maakt dan gebruik van deskundigenadviezen waaronder het advies van de Onderwijsraad of laat zich adviseren door vertegenwoordigers van bepaalde geestelijke stromingen.