Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/1.7
1.7 De Europese Stichting die niet komt: een gemiste kans?
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232402:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het statuut van de Europese stichting (FE), COM(2012) 35 final, Pb. EU 2012, C 102/25. Zie over de behoefte aan een Europese stichting Klaus J. Hopt & Dieter Reuter (red.), Stiftungsrecht in Europa, Heymanns: Köln 2001; Andreas Schluter, Volker Then & Peter Walkenhorst (red.), Foundations in Europe, Society, Management, and Law, Directory of Social Change: London 2001; Klaus J. Hopt, W. Rainer Walz, Thomas von Hippel & Volker Then (red.), The European Foundation, A New Legal Approach, Cambridge University Press: New York Melbourne Madrid Cape Town Singapore São Paulo 2006, een uitgave van de Bertelsmann Stiftung; European Foundation Centre, Proposal for a regulation on a European statute for foundations, EFC: Brussel 2005; Final Report of the High Level Group of Company Law Experts on a Modern Regulatory Framework for Company Law in Europe, Brussel: EU 2002.Zie voor de totstandkoming en de inhoud van het voorstel voor de verordening Th. von Hippel, ‘The Idea of a European Foundation Statute – the recent proposal of the European Commission’, in: C.H.C. Overes & W.J.M. van Veen (red.), Met recht betrokken. Opstellen aangeboden aan prof. mr. T.J. van der Ploeg (Van der Ploeg-bundel), Deventer: Kluwer 2012, p. 127-140.
Voorstel voor een verordening van de raad betreffende het statuut van de Europese stichting (FE), COM(2012) 35 final, Toelichting, onderdeel 1.2.
Het voorstel was gebaseerd op onderzoek van het Max Planck Institut für ausländisches und internaltionales Privatrecht te Hamburg en de Universiteit van Heidelberg (Centrum für soziale Investitionen und Innovationen), Feasibility_study_on_a_European_foundation_statute_final_report/download, ingezien op 6 juni 2019.
P7_TA-PROV(2013)0293, Statuut van de Europese stichting. Resolutie van het Europees Parlement van 2 juli 2013 over het voorstel voor een verordening van de Raad betreffende het statuut van de Europese stichting (FE) (COM(2012)0035 – 2012/0022(APP)).
Drucksache 17/9678 Deutscher Bundestag, 17. Wahlperiode, p. 18.
Stefanie Jung, ‘Need for a new approach in European company law?—the European Foundation as a turning point’, Trusts & Trustees, Vol. 21, No. 6, July 2015, p. 625-629.
Ik noem slechts N. Peters & M. Goorts, ‘De Europese stichting: terug naar de tekentafel’, NtEr 2013/3; S.J.C. Hemels, ‘De Europese Stichting en de Nederlandse ANBI: een grens aan de Nederlandse fiscale autonomie?’, WFR 2012/724; Dominique Jacob, ‘Der Kommissionsvorschlag für eine Europäische Stiftung (Fundatio Europaea) – Streifzug durch eine europäische Kulissenlandschaft?’, npoR Heft 1/2013. Betrekkelijk positief werd de Europese stichting beoordeeld door H. Koster en M. Verbrugh, ‘De Europese Stichting (FE): het voorstel voor een FE-Statuut’, Ondernemingsrecht 2014/58.
Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 16 december 2014, COM(2014) 910 final, annex 2. Omdat de verordening is gebaseerd op artikel 352 VwEU dient de verordening met eenparigheid van stemmen te worden vastgesteld door de Raad van de Europese Unie, zulks op voorstel van de Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement.
Zo bepaalde artikel 18 lid 3 FE-vo dat de toezichthoudende autoriteit toestemming dient te verlenen voor de omzetting van een andere algemeen nut beogende instelling in een FE. Ook voor wijziging van het doel (artikel 20 lid 4 FE-vo) was toestemming nodig van de toezichthoudende autoriteit. Voorts bevatte artikel 28 lid 2 FE-vo, de bevoegdheid voor de toezichthoudende autoriteit om bestuurders te ontslaan in de gevallen genoemd in de FE-vo.
Zie over de doorwerking van richtlijnen in de nationale rechtsorde, Asser/Hartkamp 3-I 2015/92 e.v.
S.J.C. Hemels, ‘De Europese Stichting en de Nederlandse ANBI: een grens aan de Nederlandse fiscale autonomie?’, WFR 2012/724; Dominique Jacob, ‘Der Kommissionsvorschlag für eine Europäische Stiftung (Fundatio Europaea) – Streifzug durch eine europäische Kulissenlandschaft?’, npoR Heft 1/2013.
Een tijdlang leek de Europese Unie het mogelijk te maken een Europese stichting, de Fundatio Europaea (FE), op te richten.1 De reden voor de Europese Commissie om een dergelijk stichting voor te stellen was dat de Europese Commissie van mening was dat de mogelijkheden voor algemeen nut beogende instellingen om in geheel Europa actief te zijn, werden tegengewerkt door de hoge fiscaal-juridische kosten die voortvloeien uit de verscheidenheid van de regelgeving in de lidstaten van de Europese Unie. Hierdoor zouden stichtingen naar nationaal recht niet in staat zijn hun middelen op efficiënte wijze over de grenzen heen te kanaliseren in de Europese Unie.2
Gebrek aan draagvlak voor deze gezichtspunten heeft ertoe geleid dat de Europese stichting er niet is gekomen, maar ik durf de stelling aan dat invoering van deze Europese stichting zou hebben gedwongen tot een meer fundamentele beschouwing ten aanzien van een aantal aspecten van de bij dode opgerichte stichting in Nederland. Het niet doorgaan van de FE is in die zin een gemiste kans te noemen. Vanwege de fundamentele vragen die de FE voor de Nederlandse stichting met zich zou hebben meegebracht, sta ik kort stil bij de voorgestelde Europese Stichting en haar achtergronden.
Op 8 februari 2012 publiceerde de Europese Commissie haar voorstel voor de Europese stichting.3 Deze Europese stichting zou komen te bestaan naast de nationale regelgeving op het gebied van stichtingen. Het Commissievoorstel viel niet heel erg goed in het Europees Parlement. Dit parlement nam op 2 juli 2014 een resolutie aan waarin de Europese Commissie werd verzocht haar conceptverordening op een groot aantal punten aan te passen.4 Maar niet alleen het Europees Parlement was kritisch, dat gold ook voor een aantal lidstaten. De Nederlandse5 en Duitse6 regeringen wezen het voorstel af omdat daaraan geen behoefte zou bestaan. België behoorde tot de landen die instemden met de invoering van de FE.7
Maar niet alleen uit het Europees parlement en de lidstaten kwam kritiek. Ook in de literatuur werd veel kritiek geuit omdat het voorstel tekort zou schieten in de uitwerking, groot en kostbaar toezicht zou meebrengen en beknotting van de fiscale autonomie voor de individuele lidstaten tot gevolg zou hebben.8
Het resultaat van de negatieve reacties was dat bijna drie jaar na de indiening van het oorspronkelijke voorstel voor de Europese stichting, dit voorstel weer werd ingetrokken omdat geen overeenstemming zou worden bereikt ten aanzien van de voorgestelde verordening voor de FE (FE-vo).9
Waaruit bestond het voorstel voor de verordening voor de FE dan dat het zoveel kritiek uitlokte? Het voorstel voor de FE, had vijf civielrechtelijke hoofdkenmerken:
de FE is een rechtspersoon;
de FE staat onder overheidstoezicht;
de FE heeft geen leden;
de FE dient een doel van algemeen nut na te streven;
voor de oprichting van een FE is geen overheidstoestemming noodzakelijk.
Van de hiervoor genoemde kenmerken zijn alleen de kenmerken (ii) en (iv) afwijkend voor wat in Nederland thans geldt voor de stichting. Het Voorstel bevatte een aantal stringente toezichtbepalingen. Deze toezichtbepalingen gingen veel verder dan wat wij in Nederland gewend zijn ten aanzien van de bevoegdheden van het openbaar ministerie uit Boek 2 BW.10 Het andere grote verschil met de Nederlandse stichting was, dat een beperking gold voor de toegestane doelen. Voor een doel dat niet in de FE-vo genoemd werd, kon geen FE worden opgericht.
Net als de reguliere stichting zou ook de FE bij uiterste wilsbeschikking kunnen worden opgericht (artikel 13 FE-vo).
Als men naast de bevoegdheden van de toezichthouder en de beperkingen gesteld aan het doel in aanmerking neemt dat de Europese stichting pas rechtspersoonlijkheid zou verkrijgen door de inschrijving van de FE in een speciaal daartoe door elke lidstaat in te stellen register (artikel 9 FE-vo) wordt duidelijk hoever verwijderd de Europese stichting zou hebben gestaan van de Nederlandse bij dode opgerichte stichting. Het gevolg zou zijn geweest, dat de bij dode opgerichte FE per definitie ná het overlijden zou ontstaan. Doordat de FE pas na het overlijden zou ontstaan, zou de FE nimmer voldoen aan de bestaanseis van artikel 4:56 BW. Zou dat dan tot gevolg hebben gehad dat de FE alleen op grond van een testamentaire last vermogen uit de nalatenschap van de erflater had kunnen verkrijgen wegens het niet voldoen aan de bestaanseis? Of had de FE-regeling ‘richtlijnconform’ moeten worden uitgelegd waardoor de FE had moeten kunnen erven, ook al zou niet zijn voldaan aan de bestaanseis?11 Een andere mogelijkheid zou zijn geweest dat voor de FE een uitzondering zou worden gemaakt op de bestaanseis. Maar wie zou het vermogen voor de FE moeten beheren zolang inschrijving in het daartoe bestemde register niet zou hebben plaatsgevonden? Aanpalende regelgeving zou nodig zijn geweest. Als de FE zou worden ingevoerd dan zou als vanzelf de vraag naar de betekenis van de conversielast van artikel 4:135 lid 2 BW aan de orde komen. Waarom zou verschil moeten (of kunnen) bestaan tussen de FE en de verkrijging krachtens de conversielast ten aanzien van de bestaanseis. Doordat de FE-verordening is ingetrokken, zijn al deze vragen nooit aan de orde gekomen.
Naast civielrechtelijke aspecten, waren ook de fiscale aspecten van de FE van groot belang. De FE zou in elke lidstaat worden behandeld als een algemeen nut beogende instelling naar het recht van de betreffende lidstaat (artikelen 50 en 51 FE-vo). Het gevolg zou zijn dat als een FE in elke lidstaat behandeld zou worden als een algemeen nut beogende instelling, ook als de FE niet zou voldoen aan de eisen van naar nationaal recht opgerichte algemeen nut beogende instellingen. Dit zou een inbreuk vormen op de fiscale autonomie van de lidstaten.12
In 3.4.2.1 kom ik in het kader van de bestaanseis in Duitsland nog even terug op de Europese stichting.
Hoe het ook zij, de FE komt niet en wij moeten het doen met alleen onze eigen Nederlandse versie van de stichting. Een stichting die in internationaal verband een bijzondere positie inneemt zo bleek hiervoor.
Wellicht is het bijzondere van de Nederlandse stichting en van haar bij dode opgerichte variant, dat zij, anders dan haar buitenlandse evenknieën, geen bijzondere rechtspersoon is.