De bij dode opgerichte stichting
Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/1.9:1.9 Plan van aanpak
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/1.9
1.9 Plan van aanpak
Documentgegevens:
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232376:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het plan van aanpak van mijn onderzoek is als volgt. In hoofdstuk 2 wordt onderzocht of vergelijking van de Nederlandse bij dode opgerichte stichting met die uit Duitsland en België relevant is. Hiertoe worden de maatschappelijke achtergronden en het juridisch kader geschetst van de stichting in Nederland, Duitsland en België. Hoofdstuk 3 behandelt artikel 2:286 BW en artikel 4:135 BW, de kernbepalingen voor de bij dode opgerichte stichting. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de algemene uit het rechtspersonenrecht voortvloeiende aspecten van de bij dode opgerichte stichting. Hoofdstuk 5 is gewijd aan de problematiek van het uitkeringsverbod waarbij wordt verdedigd dat het doel van de bij dode opgerichte stichting vaak in feite een last is, opgelegd door de erflater/oprichter. Hoofdstuk 6 handelt over de onmogelijkheid voor de bij dode opgerichte stichting tot verwerping van begunstigingen die uitgaan van de erflater/oprichter. In hoofdstuk 7 behandel ik een aantal onderwerpen waarvan de gemeenschappelijke noemer is, dat deze de grens raken van de mogelijkheden die de erflater heeft om over zijn graf heen te regeren door het oprichten van een stichting bij dode. Aan bod komen het verbod tot vervreemding en bezwaring, wetsontduiking, voorwaardelijke makingen en de uit- en insluitingsclausule verbonden aan uitkeringen gedaan door een stichting en de vraag of het mogelijk is over dergelijke uitkeringen een testamentair bewind in te stellen. In hoofdstuk 8 staat de heffing van (erf)belasting centraal. Tot slot volgt in hoofdstuk 9 een slotbeschouwing waarin antwoord wordt gegeven op de vragen uit de probleemstelling. Ook worden enkele aanbevelingen gedaan.