De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.5.1:8.5.1 Inleiding
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.5.1
8.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372110:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Geerts (Diss.), par. 5.3.6.1.
Zie Hof Amsterdam (OK) 22 juli 2015, ARO 2015/188 (Leaderland).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In art. 2:357 lid 2 BW is vastgelegd dat de ondernemingskamer de gevolgen van de door haar getroffen voorzieningen zo nodig regelt. Net als ten aanzien van onmiddellijke voorzieningen het geval is, laat deze formulering van de wetgever de ruimte voor een breed scala aan maatregelen en (rechts)gevolgen.
In art. 2:349a lid 2 BW staat niet vermeld dat de ondernemingskamer de gevolgen van onmiddellijke voorzieningen kan regelen en ook een schakelbepaling tussen art. 2:349a lid 2 BW en art. 2:357 lid 2 BW ontbreekt. Men kan zich echter afvragen of onmiddellijke voorzieningen wel nadere regeling behoeven. Anders dan eindvoorzieningen zijn onmiddellijke voorzieningen immers niet limitatief opgesomd in de wet. Men zou daarom kunnen betogen dat wat in het kader van eindvoorzieningen als het nader regelen van een voorziening geldt, moet worden beschouwd als een zelfstandige onmiddellijke voorziening en/of als een onderdeel daarvan. Geerts1 betoogt echter dat art. 2:357 lid 2 BW ook van toepassing is op onmiddellijke voorzieningen. De ondernemingskamer is van oordeel dat art. 2:357 lid 2 BW analogisch van toepassing is.2 Deze rechtstheoretische kwestie blijft voor de praktijk echter zonder gevolgen.
Over de reikwijdte van de maatregelen die de ondernemingskamer op die voet kan treffen, is weinig bekend. De wetsgeschiedenis op dit punt is vrij summier en niet over de gehele linie duidelijk. Bovendien is weinig rechtspraak voorhanden waarin de Hoge Raad, of de ondernemingskamer zich expliciet uitspreekt over (de grenzen van) deze bepaling. Wel bestaat er over een aantal kwesties consensus in de literatuur. Ook is er jurisprudentie van de ondernemingskamer over de toepassing van deze bepaling. Hieronder zal zulks in kaart worden gebracht.
Daarbij zal echter ook ter sprake komen dat de beschikbare wetsgeschiedenis, literatuur en rechtspraak de nodige vragen oproepen. Deze vragen zullen worden besproken en zo veel mogelijk van een antwoord voorzien. Evenwel laat een aantal vragen zich thans (nog) niet definitief beantwoorden.