Einde inhoudsopgave
Revindicatoire aanspraken op giraal geld (R&P nr. FR3) 2009/4.4.2
4.4.2 Uitzondering op artikel 3:276
B. Bierens, datum 23-03-2009
- Datum
23-03-2009
- Auteur
B. Bierens
- JCDI
JCDI:ADS588767:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
In Koren q.q.-Tekstra q.q. zocht de Hoge Raad reeds aansluiting bij het stelsel van artikel 25 Wn en 19 Gdw. Nu dat stelsel ook in ProCall wordt gevolgd, kan er strikt genomen geen sprake zijn van een uitzondering op artikel 3:276 BW. De vordering op de bank behoort toe aan de belanghebbenden en niet aan de tussenpersoon. De Hoge Raad hinkt op twee gedachten. Eerst merkt hij de belanghebbenden bij een kwaliteitsrekening aan als schuldeisers van de bank en vervolgens betitelt hij de belanghebbenden als schuldeisers van de tussenpersoon, aldus Kortmann in zijn annotatie onder het Procall-arrest, JOR 2003, 209, onder 2.
HR 5 september 1997, NJ 1998, 437 m.nt. PvS en JOR 1997, 102 m.nt. E.W.J.H. de Liagre B6h1 en N.E.D. Faber (`Ontvanger-Hamm q.q.'); HR 8 juni 2007, NJ2007, 419 m.nt. PvS en JOR 2007, 221 m.nt. A. Steneker (Wan der Werff-BLG'). Het ging hier om verhaal bij een onmiskenbare vergissing, zie hierna hoofdstuk 5.
Ik kom toe aan een aantal elementen uit to. 3.4.4. van ProCall. In de eerste zin van deze overweging stelt de Hoge Raad dat met de aanvaarding van een kwaliteitsrekening een uitzondering wordt gemaakt op het in artikel 3:276 BW verankerde uitgangspunt dat een schuldenaar tegenover al zijn schuldeisers met zijn gehele vermogen voor zijn schulden instaat. De verwijzing naar artikel 3:276 BW lijkt op het eerste gezicht begrijpelijk, al heeft Kortmann erop gewezen dat er in het licht van Koren-Tekstra q.q. sprake is van hinken op twee gedachten.1 Strikt genomen heeft hij het gelijk aan zijn zijde. Materieel gezien leidt het aanvaarden van een kwaliteitsrekening tot verhaalsexclusiviteit en staat, negatief geformuleerd, het tegoed niet voor verhaal ter beschikking aan de privé-crediteuren van de tussenpersoon. Het raakt daarmee per saldo dus wèl aan de omvang van het voor verhaal vatbaar vermogen. Mijn bezwaar tegen een verwijzing naar artikel 3:276 BW is er vooral in gelegen dat op basis van hetzelfde artikel, maar dan bezien vanuit het perspectief van de solvent en accipiënt, evenzeer kan worden betoogd dat het geld op de kwaliteitsrekening niet tot verhaal mag dienen van de privé-schuldeisers. Ik neem alvast een voorschot op enkele andere arresten die later in deze studie nog aan de orde zullen komen. Net als in het onderhavige geval, gaat het daarbij telkens om de vraag wie verhaal mag nemen op een giraal tegoed. Een aanknopingspunt zal daarbij de ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling blijken te zijn.2 Dat benadrukt het belang van de onderliggende rechtsverhouding tussen partijen bij het oplossen van dergelijke rechtsvragen Immers, of in concreto een vermogensverschuiving gerechtvaardigd is, vloeit in belangrijke mate voort uit de aard van deze verhouding. Indien de rechtsgevolgen van ProCall worden getoetst aan de ongerechtvaardigde verrijking, kan worden betoogd dat de aard van de rechtsverhouding tussen solvent en tussenpersoon geenszins de strekking heeft een vermogensovergang te bewerkstelligen. Indien het geld op de (vermeende) kwaliteitsrekening toch in de boedel valt, leidt dat tot een ongerechtvaardigde verrijking van het voor verhaal vatbaar vermogen van de tussenpersoon (artikel 3:276 BW) en daarmee de faillissementsboedel (artikel 20 Fw).