De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap
Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/3.4.1:4.1 De introductie van de structuurregeling
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/3.4.1
4.1 De introductie van de structuurregeling
Documentgegevens:
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS391216:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rapport-Verdam, p. 23.
Rapport-Verdam, p. 25.
Kamerstukken II 1969-1970, 10 751, nr. 3, p. 6.
Kamerstukken II 1969-1970, 10 751, nr. 3, p. 9.
Kamerstukken II 1970-1971, 10 751, nr. 10, p. 11.
SER-advies betreffende de samenstelling van toezichthoudende organen van grote naamloze en besloten vennootschappen, uitgave van de Sociaal-Economische Raad nr. 6, 13 april 1984 (‘SER-advies Raden van commissarissen’).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ten slotte komt in dit hoofdstuk de derde pijler onder de strategische medezeggenschap van werknemers aan de orde: de structuurregeling. Ook deze regeling is ontstaan uit het rapport-Verdam. De commissie-Verdam vond dat werknemers invloed zouden moeten kunnen uitoefenen op belangrijke vennootschappelijke bevoegdheden als de vaststelling van de jaarrekening en de benoeming van bestuur en commissarissen. Die invloed werd gerechtvaardigd vanuit de gedachte dat werknemers evenzeer bij de onderneming betrokken waren als aandeelhouders.1
In de kanalisering van die invloed werd de raad van commissarissen centraal gesteld. Dit toezichthoudende orgaan zou het werknemersbelang moeten meewegen, zonder overigens daardoor een rechtstreekse verantwoordingsplicht tegenover de werknemers te creëren.2 De commissie-Verdam werd het echter niet eens over de wijze waarop de benoeming van de leden van de raad van commissarissen moest worden vormgegeven.
Dat laatste lukte de SER wel het advies Herziening ondernemingsrecht. Hierin deed de raad aanbevelingen tot het herzien van de structuur van de vennootschap, in die zin dat de rechtspositie van de werknemers bij de samenstelling van de raad van commissarissen gelijkwaardig zou moeten zijn aan die van de aandeelhouders. Het voornaamste oogmerk van de structuurregeling was het vergroten van de mogelijkheden om de leiding van de onderneming te beïnvloeden, teneinde de erkenning van de positie van de werknemers te effectueren en hun belangen te beschermen. Zo werd de wetgever geadviseerd een systeem te introduceren waarin de raad van commissarissen een centrale plaats werd toebedeeld in grote vennootschappen, gecombineerd met een uitbreiding van zijn taken en bevoegdheden. Deze raad zou zichzelf moeten aanvullen, waarbij de algemene vergadering en de ondernemingsraad een vetorecht toekwam. Binnen de raad zou spreiding van specifieke deskundigheid met een brede maatschappelijke ervaring en onafhankelijkheid tot stand moeten worden gebracht. De centrale positie van de raad van commissarissen kwam tot uitdrukking in de hem toe te kennen bevoegdheden bij benoeming van bestuurders, vaststelling van de jaarrekening en goedkeuring van belangrijke besluiten over de vennootschap en haar onderneming. Voor vennootschappen met een internationale structuur zou een uitzondering moeten worden gemaakt.
Deze hier in grote trekken beschreven systematiek is in wetgeving omgezet.3 Daarbij is in de parlementaire geschiedenis gewezen op het toegenomen aantal beursvennootschappen dat een beroep deed op de kapitaalmarkt. Ook zonder beursnotering zou de leiding van de onderneming in toenemende mate de behoefte voelen minder afhankelijk te staan tegenover de aandeelhouders. De binding van aandeelhouders met de onderneming was afgenomen en de aandeelhouder kreeg volgens de wetgever meer de functie van belegger. Die ontwikkeling maakte dat de aandeelhoudersvergadering in de ogen van de wetgever niet de hoogste macht in de vennootschap was.
De wetgever deelde de opvatting van de SER dat de raad van commissarissen het beste orgaan was om de pluraliteit van deze belangen te stroomlijnen. Voor de positie van de factor arbeid zou een indirect medebeslissingsrecht de beste vorm zijn, waarna de raad van commissarissen een onafhankelijke positie zou moeten innemen van zowel werknemers als aandeelhouders.
Bij de introductie van de structuurregeling heeft de wetgever zich gerealiseerd dat het hier om een uniek systeem ging, dat in internationaal verband geen gelijke kende. Ook hier heeft de wetgever de wenselijkheid van vormgeving van structurele medezeggenschap afgewogen tegen ons vestigingsklimaat. De wetgever vond het niet aannemelijk dat het Nederlandse bedrijfsleven door de structuurwijziging ook economisch in een ongunstige positie zou komen te staan.4
Op verschillende plaatsen is de noodzaak benadrukt van onafhankelijkheid van de raad van commissarissen. Deze onafhankelijkheid kon worden gewaarborgd door het beginsel van coöptatie, gecombineerd met het vetorecht vanuit aandeelhouders en de ondernemingsraad. Vertegenwoordiging van belangengroepen binnen de raad van commissarissen werd onwenselijk geacht.5 Daarbij werd ook overwogen het aantal commissariaten per persoon te beperken. Die gedachte werd in de memorie van antwoord bij het wetsvoorstel verworpen:
“Hoeveel commissariaten iemand naar behoren kan vervullen, hangt geheel af van de zwaarte van de verschillende commissariaten, van de eigenschappen en bekwaamheden van de commissaris en van de andere functies die hij vervult. Men moet naar de mening van de ondergetekenden niet te spoedig spreken van een ongewenste cumulatie: juist de bekwaamsten zullen de meeste functies kunnen vervullen: veelzijdige ervaring en inzicht in verhoudingen doet men dikwijls op bij het vervullen van meer dan een functie.”6
De structuurregeling was niet bedoeld als een regeling voor het door de raad van commissarissen afleggen van verantwoording aan de werknemers: het vennootschapsrecht regelt aan wie van de vennootschapsorganen de raad van commissarissen en het bestuur verantwoording zijn verschuldigd, en in welke vorm.7 Centraal stond het beginsel van eenheid en collegialiteit binnen de raad van commissarissen, met als doel de behartiging van het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.8