Einde inhoudsopgave
De agenda en het agenderingsrecht bij kapitaalvennootschappen (VDHI nr. 176) 2022/5.5.4.3
5.5.4.3 Bij de BV: de afwezigheid van een zwaarwichtig belang
mr. E.J. Breukink, datum 15-04-2022
- Datum
15-04-2022
- Auteur
mr. E.J. Breukink
- JCDI
JCDI:ADS649869:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2006/07, 31 058, nr. 3 (MvT), p. 77.
Rb. Noord-Nederland 28 juni 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2477, JOR 2018/240, m.nt. Breukink (Woestduin/Cranberry Terschelling).
Zie in dit verband punt 5 van mijn noot onder Rb. Noord-Nederland 28 juni 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2477, JOR 2018/240, m.nt. Breukink (Woestduin/Cranberry Terschelling) en punt 9 van de noot van Nowak onder Rb. Noord-Holland, locatie Alkmaar (vzr), 17 juni 2014, ECLI:NL:RBNHO:2014:8698, JOR 2014/293, m.nt. Nowak (Te&Je/NedAliment).
In gelijke zin Kemp 2019b, p. 100.
Bij de BV geldt dat de voorzieningenrechter het machtigingsverzoek afwijst als een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich tegen het houden van een vergadering verzet (art. 2:221 lid 1 BW). De weigeringsgrond is in 2012 op aanbeveling van de Expertgroep Flex-BV in art. 2:221 BW opgenomen om te verduidelijken dat de voorzieningenrechter een belangenafweging kan maken waarbij hij het specifieke belang van de verzoekers kan afwegen tegen een door de vennootschap aangevoerd zwaarwichtig belang dat zich tegen de toewijzing van het verzoek zou verzetten (zie ook art. 2:220 BW).1 Een recent voorbeeld van een zaak waarin de voorzieningenrechter oordeelde dat een zwaarwichtig belang van de vennootschap zich tegen het verlenen van de machtiging verzette, is de zaak Woestduin/Cranberry Terschelling. Volgens de voorzieningenrechter was het zwaarwichtig belang er hier in gelegen dat met het houden van de gevraagde vergadering een door de verzoeker zelf geïniteerd bemiddelingstraject tussen haar en de andere aandeelhouder zou worden doorkruist dan wel bemoeilijkt, waardoor ernstige schade aan de vennootschappelijke verhoudingen kon ontstaan.2
Een interessante vraag die naar aanleiding van Woestduin/Cranberry Terschelling opkomt, maar die het bestek van dit onderzoek te buiten gaat, is in hoeverre een overeenkomst tussen aandeelhouders (en de vennootschap) via de band van het zwaarwichtig belang, art. 2:8 BW of art. 3:13 BW bepaalde besluitvorming in de algemene vergadering kan verhinderen. Anders geformuleerd: bestaat er zoiets als vennootschappelijke doorwerking ex ante?3
In par. 6.3.2.4.a ga ik uitgebreid in op de inhoud van het zwaarwichtig belang als weigeringsgrond in art. 2:224a BW, art. 2:220 BW en art. 2:221 BW. Daar komt ook aan de orde dat de invulling die de voorzieningenrechter in Woestduin/Cranberry Terschelling aan het zwaarwichtig belang geeft, op gespannen voet staat met uitleg die in de parlementaire stukken wordt gegeven.4