Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/14.4.3
14.4.3 Zelfdefinitie maar geen toepassing van het kerkrecht
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457623:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie Rb. Haarlem 26 maart 2009, NJFS 2009/139 (Santo Daime); Gerechtshof Amsterdam 24 februari 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:BV6888, NJFS 2012/111; Rb. Noord-Holland 8 september 2016, nr. 15/720112-14, ECLI:NL:RBNHO:2016:7557. Anders zie: HR 9 januari 2007, AB 2007/181, m.nt. L.C. Groen en B.P. Vermeulen; NJCM-Bulletin 2007/4, m.nt. Sackers. Hierin viel de belangafweging op basis van artikel 9 EVRM lid 2 uit in het nadeel van verdachte vanwege de opmerking ter zitting dat het voor het uitoefenen van haar geloof niet noodzakelijk was dat zij ayahuasca-thee dronk. De Hoge Raad tilde zwaar aan deze opmerking en oordeelde op grond daarvan dat er geen sprake was van een ongerechtvaardigde beperking op de godsdienstvrijheid. Op dit arrest is de kritiek geuit dat de Hoge Raad in casu eraan voorbij gegaan was de beperking van de Opiumwet disproportioneel is. Zie ook EHRM 6 mei 2014 nr. 28167/07 (Fränklin-Beentjes en Ceflu-Luz da Floresta v Nederland).
Rb.‘s-Gravenhage 9 februari 2011, NJF 2011/136.
Rb. Maastricht 19 september 1991, ECLI:NL:RBMAA:1991:AD1492, NJ 1992, 490 (RK Armenbestuur).
Rb. Maastricht 19 september 1991, NJ 1992, 490.
Rb. Rotterdam (sector Kanton) 2 september 2008, JAR 2008/265.
De lijn die in bovengenoemde Santo Daime-zaak werd uitgezet vond navolging in latere ayahuasca-zaken.1 In een dergelijke zaak voor de Rechtbank ’s-Gravenhage kwam nadrukkelijk de inrichtingsvrijheid van de Santo Daime kerk aan de orde. In deze zaak vorderde de Santo Daime kerk (hier Luz da Florestra (LDF) geheten) dat de in de Opiumwet neergelegde verbodsnorm week voor het recht van LDF om hun godsdienst uit te oefenen overeenkomstig de eigen statuten, zoals gecodificeerd in artikel 2:2 BW. De rechtbank overwoog:
‘(…) dat LDF c.s. met deze stelling ten onrechte voorbijgaat aan het gegeven dat artikel 2:2 lid 2 BW, waarin is bepaald dat kerkgenootschappen worden geregeerd door hun eigen statuut voor zover dat niet in strijd is met de wet, geen ruimte biedt om te handelen in strijd met het strafrecht. De Opiumwet betreft een fundamentele norm van het Nederlandse recht en valt daarmee onder het in voornoemde zin weergegeven begrip ‘wet’ en geldt naar het oordeel van de rechtbank onverminderd voor kerkgenootschappen. Artikel 2:2 BW staat derhalve niet aan toepassing van artikel 2 Opiumwet in de weg.’
De rechter oordeelde hier dus dat hoewel het gebruik van de verdovende thee valt onder de reikwijdte van artikel 2:2 BW, een verbod op het gebruik van de verdovende thee rechtmatig is op grond van de beperkingsclausule van artikel 2:2 BW. In lid 2 staat immers dat kerkgenootschappen geregeerd worden door hun statuut voor zover dit niet in strijd is met de wet. Gesteld kan dus worden dat de rechter aanvaardt dat het gebruik van verdovende thee een uiting of gedraging is die godsdienstig is of die behoort tot de inrichting of organisatie van het kerkgenootschap. Dat neemt echter niet weg dat de rechter deze uiting of gedraging niet kan verbieden wegens andere juridische belangen. Dat doet hij dan ook op grond van artikel 2:2 lid 2 BW. Overigens oordeelde de Haagse rechter in deze zaak in tegenstelling tot de Amsterdamse rechter dat ook een beroep op artikel 9 EVRM niet kon slagen vanwege het zwaarwegende belang van de bescherming van de volksgezondheid.2
Er zijn meer zaken waarbij de rechter min of meer erkende dat de uiting of gedraging voortvloeide uit het statuut maar deze uiting of gedraging vervolgens niet toestond wegens strijd met het (Nederlandse) recht. Genoemd kan worden de uitspraak van de Rechtbank Maastricht inzake het RK-Armenbestuur.3 Deze instelling stelt zich onder andere als doel financiële nood te lenigen bij natuurlijke personen. Hoewel de rechter in deze zaak het RK-Armenbestuur erkende als zelfstandig onderdeel van het R-K kerkgenootschap, ging hij in tegen de uit de statuten van die instelling volgende discretionaire bevoegdheid van de bisschop om bestuursleden te ontslaan. In plaats van toepassing van dit statuut stelde de rechter dat de redelijkheid en billijkheid zoals die onderdeel uitmaken van het Nederlandse verenigingsrecht, zich verzetten tegen uitoefening van de bevoegdheid van de bisschop.4 Er was hier dus sprake van een situatie waarin de bevoegdheid van de Bisschop wel werd gekwalificeerd als één die is terug te voeren op het statuut – en daarmee in relatie staat tot de godsdienst van de kerk – maar die niet werd beschermd omdat die gedraging in strijd zou zijn met het civiele recht
Ook kan gewezen worden op een zaak die speelde voor de Rechtbank Rotterdam die ging over het wegzenden van een broeder door een RK-Kloosterorde. Deze broeder was in tegenstelling tot de kloosterorde van mening dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst en dat hij niet weggezonden had mogen worden zonder financiële compensatie. De rechtbank overwoog:
‘Door toetreding tot de gemeenschap van religieuzen, deel uitmakende van de Rooms-Katholieke kerk, geldt dat het recht van deze gemeenschap [canoniek recht (statuut van RK-Kerk), JV] voorrang heeft, behoudens zwaarwegende omstandigheden zoals schending van elementaire beginselen van een goede procesorde.’
Verder overwoog de rechtbank dat de aanstelling van de broeder vanwege de religieuze verstandhouding die bestond tussen de kloosterorde en de broeder niet als een arbeidsovereenkomst kon worden beschouwd maar dat gezien het langdurige lidmaatschap niet kon worden uitgesloten dat het lidmaatschap tevens een rechtsverhouding omvat die civielrechtelijk kan worden gedefinieerd. Op grond daarvan oordeelt de rechter dat er sprake is van een verbintenis waarop het civiele recht van toepassing is en dat de beëindiging van deze verbintenis niet mag leiden tot een onredelijke financiële situatie bij de weggezonden broeder. Daarmee deed de rechtbank een opmerkelijk uitspraak aangezien zij eerder overwoog dat de broeder met zijn toetreding tot de congregatie zich ‘(…) heeft onderworpen aan de interne regels van de Congregatie en van de Rooms-Katholieke kerk (…)’.5