Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.7.9
4.7.9 Afscheiding en zaaksvervanging
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644948:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 3:213 BW (vruchtgebruik) en art. 3:229 BW (pand).
Stein, GS Vermogensrecht, art. 3:229 BW, Rn 3.1.
Ook art. 3:213 BW spreekt over “in de plaats treden”.
Zie over de achtergrond van art. 3:229 BW: Stein, art. 3:229 BW, GS Vermogensrecht, Rn 2.2.
MvA II, art. 3.9.1.3, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 735: “Om ieder misverstand uit te sluiten is in het gewijzigd ontwerp overeenkomstig de wens van de Commissie uitdrukkelijk tot uiting gebracht dat onder vorderingen die voor het verbonden goed in de plaats treden, vorderingen ter zake van waardevermindering van het goed begrepen zijn.” Stein, WPNR 2020/7288, p. 459.
Het is denkbaar dat een zaak zonder beschadiging toch in waarde is verminderd, bijvoorbeeld doordat nabijgelegen grond is vervuild of indien daarop wederrechtelijk een fabriek is gebouwd. Door de waardevermindering ontstaat een wettelijk pandrecht op de vordering ter compensatie van deze waardevermindering. Zie hierover: De Grooth, RM Themis/1954, p. 528; Stein, WPNR 2020/7288, p. 459, voetnoot 43, 44 en 45.
MvA II, art. 3.9.1.3, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 735. Zie ook: HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:36 (ABN AMRO/Marell), r.o. 3.5.3.
Als een zaak wordt beschadigd of in waarde wordt verminderd, dan kent het BW aan de vruchtgebruiker (art. 3:213 BW) en de zekerheidsgerechtigde (pand- of hypotheekhouder, art. 3:229 BW) een vruchtgebruik/pandrecht toe op de vorderingen die strekken tot vergoeding van deze beschadiging/waardevermindering.1 Als bijvoorbeeld het pandobject door iemand wordt beschadigd, dan verkrijgt de eigenaar van de beschadigde zaak een vordering tegen de schadeveroorzaker c.q. diens verzekeraar. Deze vordering is krachtens art. 3:229 BW van rechtswege verpand aan de pandhouder van het beschadigde object. Het pandrecht op de vordering is een “wettelijk pandrecht”.2 De wettekst van art. 3:229 BW spreekt over een pandrecht op alle vorderingen tot vergoeding “die in de plaats van het verbonden goed treden”, waaruit men zou kunnen afleiden dat de hoofdregel van afscheiding niet geldt als sprake is van zaaksvervanging blijkens 3:229 BW.3 Deze hoofdregel van afscheiding luidt, zoals gezegd, dat de beperkte rechten op de hoofdzaak ook komen te rusten op het afgescheiden bestanddeel. Het “in de plaats treden” van het wettelijke pandrecht/vruchtgebruik impliceert daarentegen dat geen pandrecht/vruchtgebruik komt te rusten op het afgescheiden bestanddeel. Een voorbeeld.
Een auto is verpand. Uit de auto wordt een radio gestolen, die voor de verwijdering een bestanddeel van de auto was. De eigenaar van de auto heeft een vordering op zijn verzekeraar voor vergoeding van de geleden schade. Deze vordering is krachtens art. 3:229 BW van rechtswege verpand ten behoeve van de pandhouder.
Geldt voor zaaksvervanging een uitzondering op de hoofdregel of geldt de hoofdregel onverkort? Dit laatste zou betekenen dat de pandhouder van één pandrecht naar drie pandrechten gaat. Hij had eerst immers één pandrecht op de auto. Na de afscheiding van de radio verkrijgt hij naast het pandrecht op de auto (dat uiteraard blijft bestaan), een pandrecht op de radio én een pandrecht op de vordering tegen de verzekeraar. Is dit niet teveel van het goede?
Nee. De radio is weg. Dat is de reden waarom de pandhouder een wettelijk pandrecht op de vordering verkrijgt. De zaaksvervangingsartikelen zijn gecreëerd zodat het tenietgaan of een waardevermindering van de bezwaarde zaak niet ten koste gaat van de zekerheidsgerechtigde respectievelijk vruchtgebruiker.4 Gaat de zaak teniet, bijvoorbeeld als een auto volledig uitbrandt, dan treedt het pandrecht op de vordering tot vergoeding in de plaats van het goed zelf. Van “in de plaats treden van het goed” is echter geen sprake als een vordering ontstaat doordat de zaak is beschadigd en op deze vordering een wettelijk pandrecht komt te rusten.5 Het pandrecht op de auto blijft bestaan als deze auto is bekrast door iemand. Daarnaast ontstaat een wettelijk pandrecht op de vordering die de eigenaar heeft op de “bekrasser”. Kortom, bestaat de verpande (of in vruchtgebruik gegeven) zaak nog, dan treedt de wettelijk verpande vordering in de plaats van de verloren waarde van het beschadigde goed.6
Het “in de plaats treden” betekent niet dat de zakenrechtelijke gevolgen van de afscheiding anders zijn dan in gevallen die buiten de zaaksvervanging vallen. De eigenaar van de auto is eigenaar van de gestolen radio. Zo bezien heeft hij geen schade. De radio is echter wel verdwenen. Is hij tegen deze diefstal verzekerd, dan verkrijgt hij een vordering op de verzekeraar. De beperkte rechten ondergaan hetzelfde lot als het eigendomsrecht. Het (nieuwe) eigendomsrecht op de radio heeft dezelfde kenmerken als het eigendomsrecht op de eenheidszaak. Het is dus verpand. Wil de pandhouder aanspraak maken op uitbetaling van de vordering, dan zal hij eerst het wettelijke pandrecht op die vordering aan de verzekeraar moeten mededelen, waarna hij de vordering mag innen.7 Voordat de verzekeraar de vordering aan hem voldoet, zal zij doorgaans de gestolen zaak onbezwaard in eigendom willen verkrijgen. Daarvoor zijn twee stappen vereist. De zaak dient via een akte aan de verzekeraar geleverd te worden, aldus art. 3:95 BW. Daarnaast zal de pandhouder afstand moeten doen van zijn pandrecht op de radio. Normaliter levert dit afstand doen geen problemen op, aangezien de pandhouder via de uitbetaling van de vordering door de verzekeraar de waardevermindering van het oorspronkelijk pandobject (de auto minus de radio) vergoed krijgt.
De situatie is niet anders als een zaak door afscheiding ophoudt te bestaan, bijvoorbeeld in het geval een waardevolle verpande vaas in drie stukken valt. De stukken behoren afzonderlijk toe aan de oorspronkelijke eigenaar van de vaas en deze zijn bovendien afzonderlijk verpand. Mochten de stukken waarde vertegenwoordigen, dan doet de verzekeraar (of schadeveroorzaker) er goed aan om deze in eigendom te verkrijgen, voordat hij de premie uitbetaalt.