Ambtshalve toepassing van EU-recht
Einde inhoudsopgave
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/7.3.4:7.3.4 Conclusie
Ambtshalve toepassing van EU-recht (BPP nr. XIV) 2012/7.3.4
7.3.4 Conclusie
Documentgegevens:
Mr. A.G.F. Ancery, datum 01-08-2012
- Datum
01-08-2012
- Auteur
Mr. A.G.F. Ancery
- JCDI
JCDI:ADS301015:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
256
Kan de rechtspraak van het HvJ EU met betrekking tot de plicht van de rechter in eerste aanleg tot ambtshalve toepassing van consumentenbeschermende bepalingen worden doorgetrokken naar appelzaken? Het antwoord daarop luidt mijns inziens ontkennend. De appelrechter zal wel rechtsgronden van EU-recht moeten aanvullen binnen de door de grieven afgebakende rechtsstrijd. In niet-consumentenzaken brengt het vereiste dat aan het bestaan van een recht een voldoende effectief rechtsmiddel dient te zijn gekoppeld niet met zich dat de appelrechter buiten de grenzen van de rechtsstrijd in appel dient te treden om de effectiviteit van het EU-recht te garanderen. Op dit punt bestaat dus geen verschil tussen de appelrechter en de rechter in eerste aanleg.
In consumentenzaken bestaat dat verschil er wel. Waar de rechter in eerste aanleg actief moet optreden om de consument zoveel mogelijk van de hem door een EU-richtlijn toebedeelde bescherming te voorzien, mag de appelrechter een dergelijke actieve houding volgens mij niet aannemen. Dat zou namelijk strijden met het verdedigingsbeginsel, op grond waarvan een volwaardig partijdebat plaats moet hebben gehad tussen partijen voordat arrest kan worden gewezen. Deze uitkomst verhoudt zich goed tot het EU-recht. Immers, de rechtspraak van het HvJ EU in de consumentenzaken kan worden verklaard vanuit de noodzaak om de consument van een effectief rechtsmiddel te voorzien. Zonder ambtshalve ingrijpen van de rechter in eerste aanleg is het rechtsmiddel niet voldoende effectief. Dat de rechter in eerste aanleg wellicht verzuimt om tot het ambtshalve ingrijpen over te gaan, maakt het rechtsmiddel nog niet ontoereikend. Er wordt geabstraheerd van de concrete omstandigheden. Dit betekent dat de regels van het appelprocesrecht moeten worden bezien binnen de kaders van het gelijkwaardigheids- en effectiviteitsbeginsel. Deze regels houden volgens mij stand, maar zekerheid op dit punt bestaat pas op het moment dat het HvJ EU zich erover uitspreekt. Het antwoord zal hopelijk komen op het moment dat het HvJ EU oordeelt in de prejudiciële verwijzing van respectievelijk het Hof Amsterdam en het Hof Den Haag.