Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/11.2
11.2 Het echtpaar Goeree
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456423:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 juni 1987, NJ 1988, 702, m.nt. EAA.
HR 5 juni 1987, NJ 1988, 702, m.nt. EAA, r.o. 3. Zoals meerdere malen in de literatuur is opgemerkt is deze beperking voor wat betreft art. 6 Gw discutabel omdat art. 1401 Bw (het huidige art. 6:162 Bw) niet, zoals de grondwetgever beoogde in zijn Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1975/76, nr. 3, p. 23), aangeeft hoe ver de grondrechtsbeperking gaat en erg vage formuleringen bevat. Zie Vermeulen 1995, p. 25; Nieuwenhuis 2014, p. 141.
Gerechtshof Arnhem 29 mei 1987, AB 1988, 275, m.nt. J.A. Hofman en B.N.J. v.d. Meulen; HR 18 oktober 1988, NJ 1989, 476, m.nt. G.E. Mulder; Gerechtshof Leeuwarden 16 maart 1989, NJ 1989, 810.
HR 18 oktober 1988, NJ 1989/476, m.nt. G.E. Mulder.
Gerechtshof Arnhem 29 mei 1987, AB 1988, 275.
In het verleden zijn er verscheidene rechterlijke uitspraken geweest over het echtpaar Goeree1 dat zich meerdere malen beledigend heeft uitgelaten over joden en homoseksuelen. De Goerees deden deze uitspraken in het door hun uitgegeven gospelblad Evan. Zij beweerden daarin onder andere dat joden de Holocaust aan zichzelf te wijten hadden omdat zij Christus zouden hebben vermoord. Dit leidde tot zowel een civiele als een strafrechtelijke zaak. Het civiele proces was aangespannen door een aantal maatschappelijke organisaties en beoogde de verspreiding van het blad te stoppen. In het strafrechtrechtelijke proces vervolgde het Openbaar Ministerie de Goerees wegens het openbaar maken van een uitlating die beledigend was voor joden als groep in de zin artikel 137e Sr (verspreiden van beledigende uitlatingen). Zowel in de civiele als in de strafrechtelijke procedure drong zich dezelfde vraag op, namelijk of de uitlating gekwalificeerd moest worden als een godsdienstige uitlating in de zin van artikel 6 Grondwet en artikel 9 EVRM. Vanwege deze gemeenschappelijke vraag behandel ik in het onderstaande beide procedures. Opmerkelijk is dat de strafrechters en de civiele rechters een verschillende kwalificatiewijze hanteerden.
In het civiele proces stelde de Hoge Raad dat de Goerees bij het ‘belijden van hun godsdienstige overtuiging’ hun verantwoordelijkheid volgens de wet hadden verzaakt en daarmee onrechtmatig hadden gehandeld. De Hoge Raad zag in de onrechtmatige daad een legitieme beperkingsgrond in de zin van artikel 6 lid 1 Grondwet en artikel 9 lid 2 EVRM op grond waarvan de godsdienstvrijheid van de Goerees kon worden beperkt.2 Eerder had het hof overwogen dat de Goerees de vrijheid toekwam om hun eigen interpretatie van het Evangelie van Mattheüs in woord en geschrift te verkondigen, maar dit betekende volgens het hof niet dat zij hun interpretatie op voor anderen nodeloos kwetsende of grievende wijze mochten verkondigen. De interpretatie van de Goerees wordt door het hof gekwalificeerd als een godsdienstige uiting, zelfs ondanks, zo stelt het hof ‘… de overgrote meerderheid van de christelijke kerken inmiddels afwijzend zou hebben gereageerd …’ op deze interpretatie. Uit deze overweging van het hof valt op te maken dat het hof uitgaat van een subjectiverende kwalificatiewijze.
In het strafrechtelijke proces3 oordeelde de Hoge Raad dat de Goerees artikel 137e Sr hadden overtreden. De Hoge Raad overwoog dat:
‘… een uitlating waarvan de strekking is: “dat al datgene wat aan de joden is overkomen, t/m de vervolging van en de moord op 6 miljoen joden door het Nazi-regiem hun eigen schuld is”, moet worden aangemerkt als beledigend in de zin van meergemelde wetsbepaling, ongeacht de reden(en) waarom degene die deze uitlating openbaar maakt van mening is dat dit alles de “eigen schuld” van de joden is.’4
De Hoge Raad vond de betreffende uitlating van de Goerees dus hoe dan ook strafbaar, ongeacht of deze was ingegeven door godsdienst. Met deze overweging nam de Hoge Raad afstand van de eerdere vrijspraak van het gerechtshof.
Het hof was gekomen tot deze vrijspraak op grond van deskundigenrapporten. Het hof had overwogen dat de Goerees uitdrukking hadden gegeven aan hun geloofsovertuiging en dat hun geschriften een theologische en niet een beledigende bedoeling hadden. Het hof kwam tot deze opvatting op basis van deskundigenrapporten:
‘Blijkens de deskundigenrapporten wordt hun exegese door sommigen gedeeld, doch door anderen (fel) bestreden. Het is echter niet aan de rechter in de beoordeling daarvan te treden, aangezien dat een aantasting zou betekenen van de grondwettelijk gegarandeerde vrijheid van geloofsverkondiging, welke vrijheid aan de Goerees in de onderhavige zaak de ruimte laat uit te gaan van een niet door de Raad van Kerken of door rabbijnen geautoriseerde exegese.’5
Vanwege het inroepen van deskundigen kunnen we stellen dat het hof gebruik heeft gemaakt van een objectiverende kwalificatiewijze. Desalniettemin komt het hof tot hetzelfde uitgangspunt als de civiele rechter die daarvoor een subjectiverende kwalificatiewijze hanteerde, namelijk dat de Goerees recht hebben op een eigen exegese. In dat verband kunnen we eigenlijk stellen dat het vreemd is dat het hof überhaupt gebruik heeft gemaakt van deskundigenrapporten. Zonder deze rapporten had hij net als de civiele rechter tot het genoemde uitgangspunt kunnen komen. In feite hanteert het hof hier op verkapte wijze alsnog een subjectiverende kwalificatiewijze.
Zoals gezegd ging de Hoge Raad in dit oordeel ervan uit dat de betreffende uitspraak strafbaar was op grond van artikel 137c Sr. Overigens ontkende de Hoge Raad niet dat de uitlating van de Goerees was ingegeven door godsdienst. Kennelijk vond de Hoge Raad dat de godsdienstvrijheid van de Goerees zijn beperking vond in artikel 137e Sr.
In 1990 stonden de Goerees wederom in de beklaagdenbank. Het ging ditmaal om een beledigende uiting aan het adres van homoseksuelen. Aids zou volgens de Goerees de straf van God zijn voor homoseksualiteit. De Hoge Raad oordeelde net als in de eerdere civiele zaak dat de Goerees met hun uitlatingen onrechtmatig hadden gehandeld. Ook in deze zaak beoordeelde de Hoge Raad de uitlatingen in het kader van artikel 6 lid 1 Grondwet en artikel 9 lid 1 EVRM. Overigens lieten zowel het hof als de Hoge Raad in het midden of de homovijandige uitspraken daadwerkelijke dienden te worden gekwalificeerd als godsdienstig. Volgens de rechtbank in eerste aanleg zouden de uitspraken van de Goerees ongenuanceerd en ongemotiveerd zijn en daarom niet kunnen gelden als godsdienstige uiting.
Aan de hand van de Goeree-jurisprudentie kunnen we geen consistente wijze van kwalificeren opmaken. In de volgende paragraaf onderzoek ik of dit wel het geval is ten aanzien van de meer recente jurisprudentie.