Einde inhoudsopgave
Mandeligheid (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2007/28.6.2
28.6.2 Bestaan
mr. J.G. Gräler, datum 01-10-2006
- Datum
01-10-2006
- Auteur
mr. J.G. Gräler
- JCDI
JCDI:ADS482451:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Burenrecht en mandeligheid
Voetnoten
Voetnoten
Davids 1988, p. 96.
Davids 1988, p. 97; Smalbraak 1980, p. 42. Zie ook HR 12 februari 1999, NJ 2000,17 (WMK).
HR 15 september 2006, NJ 2006, 506; Rb. Breda 21 februari 1922, NJ 1923, 251.
Veegens/Oppenheim 1925, p. 115.
Suyling 1940, p. 231 en 232.
Suyling 1940, p. 232, noot 2.
Rb. Leeuwarden 3 december 1914, NJ 1915, 951; Hof Leeuwarden 13 februari 1946, NJ 1947, 400.
HR 25 mei 1917, NJ 1917,736; Rb. Middelburg 30 juni 1943, NJ 1944, 50.
Rb. Zierikzee 12 november 1918, NJ 1918, 345.
Hof Den Haag 10 december 1917, NJ 1918, 417.
Hof ’s-Gravenhage 23 december 1926, NJ 1927, 824.
HR 22 mei 1933, NJ 1933,1522.
De vraag naar het ontstaan van de buurweg is te onderscheiden van de vraag naar het bewijs van het bestaan daarvan.1 Nu de bestemmingshandeling vormvrij is zal het bewijs vaak geleverd moeten worden door vermoedens.2 Uitoefening, krachtens een rechtsverhouding met de eigenaar, van feitelijke macht over een aan laatsgenoemde in eigendom toebehorende weg zodanig dat het gebruik past bij het gebruik als buurweg, zulks te beoordelen naar de verkeersopvatting, doet een dergelijk – voor tegenbewijs vatbaar – vermoeden ontstaan.3
Of, in de woorden van Veegens/Oppenheim:
‘Een soort subjectieve bestemming dus die objectief bewezen wordt!’4
Suyling is van mening dat slechts ongestoord gebruik en slechts gebruik dat den indruk maakt op een recht van gebruik te berusten, vermag den grond van den eigenaar met het recht van buurweg te bezwaren.5 Aldus nadert deze visie de leer van de Hoge Raad.
‘Aangezien die bestemming uit het sinds onheugelijke jaren bestaand feitelijk gebruik pleegt te worden afgeleid, verschilt de in den tekst verdedigde opvatting slechts in formeel opzicht van de leer van den H.R.’6
De Rechtbank Leeuwarden is van mening dat om het bestaan van een buurweg te kunnen aannemen een gebruik door de buren gedurende een periode van ten minste 40 jaar nodig is.7
De wet stelt niet als eis dat de weg ook feitelijk door de eigenaar van de weg mede gebruikt dient te worden.8
Art. 719 BW (oud) verbiedt slechts het zodanig wijzigen van de weg waardoor het gebruik waartoe het bestemd is onmogelijk wordt gemaakt9: het leggen van balken die de doorvaart in een buursloot verhinderen.10
Uit wijze van bebouwing kan het bestaan van een buurweg worden afgeleid.11 De bestemming kan blijken uit de uiterlijke toestand.12