Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/II.2.1.c
II.2.1.c Van voorontwerp tot wetsontwerp
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS377342:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Rapport Gecombineerde Cie (1985), p. 2-4. Een van haar weinige opmerkingen betrof de voorzieningen van art. 342. Deze moeten al in een eerder stadium van de procedure kunnen worden toegepast, en niet, zoals in het voorontwerp was bepaald, eerst indien de gedwongen overdracht niet tot aanvaarding leidt.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 8.
Slagter (1985), p. 126.
Van Steenbergen (1988), p. 173.
Emmerig (1988), p. 324.
Westbroek (1991), p. 31.
Zie over ontbinding in het algemeen: Handboek (1992) nr. 371-400; Asser-Van der Grinten-Maeijer 2-11 (1997), nr. 155-169; en Asser-Maeijer 2-111 (2000), nr. 552-562.
Zie Rapport Cie Vennootschapsrecht (1975), p. 16. De ontbindingsprocedure zag er als volgt uit: `Art. 14: Op schriftelijk verzoek van een of meer houders van aandelen, die alleen of gezamenlijk tenminste een derde van het niet in het bezit van de vennootschap zijnde geplaatste kapitaal vertegenwoordigen of een zoveel geringer bedrag als de statuten bepalen, kan de ondernemingskamer van het gerechtshof te Amsterdam de vennootschap ontbinden wegens gewichtige redenen. Art. 15: De ondernemingskamer spreekt de ontbinding niet uit indien zwaarwichtige belangen zich tegen ontbinding verzetten. Art. 16: De ondernemingskamer kan haar beslissing voor een door haar te bepalen termijn aanhouden, indien de vennootschap of één of meer aandeelhouders op zich nemen bepaalde maatregelen te treffen die de reden tot ontbinding doen vervallen.' De procedurele aspecten van het ontbindingsverzoek stonden in art. 17 en 18.
Zie ook Lubbers (1975), p. 125 die twijfelde aan de kwaliteit van de wil van de meerderheid: 'Als van tien aandeelhouders één aandeelhouder terecht tot de conclusie komt, dat de negen anderen deugnieten zijn, moet ontbinding mogelijk zijn ook al heeft `Witvoet' slechts één aandeel'. Slagter achtte deze kritiek van Lubbers terecht, zie Slagter (1976), p. 123.
In de literatuur verschilde men van mening over de ontbindingsfiguur van de Commissie Vennootschapsrecht. Sanders (1970), p. 57-68, was tegen. Voorstanders waren Van der Grinten, (1970), p. 68-71; Van der Burg, (1975), p. 336; en Lubbers (1975), p. 124-124. Westbroek achtte het verstandig dat de ontbinding niet in de geschillenregeling terugkwam. Bij uitstoting of uittreding kwam het bestaan van de vennootschap ten minste niet in gevaar. Een vennootschap ontbinden bij geschillen tussen aandeelhouders zou zijns inziens een té ingrijpende oplossing zijn. Zie Westbroek (1985/1, p. 709).
De andere in ark 342 lid 2 Voorontwerp (1981) opgenomen voorzieningen waren: a) tijdelijke ontneming van het stemrecht op bepaalde aandelen; en b) tijdelijke afwijking van de door de OK aangegeven bepalingen van de statuten. Indien de oorspronkelijke eisers binnen een maand nadat duidelijk was dat niet alle over te dragen aandelen werden aanvaard geen voorzieningen verzochten, verviel het rechterlijk bevel tot overdracht, zie art. 342 lid 4 van het voorontwerp.
Voorontwerp (1981), MvT, p. 25.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 13 sub f; en nr. 6 (MvA), p. 2.
Aldus achtereenvolgens Kamerstukken 31 058, nr. 3 (MvT), p. 17; Hermans (2002), p. 497; en Van Solinge en Bulten (2002), p. 133.
Het ontwerp uit 1975 van de hand van de Commissie Vennootschapsrecht bleek niet het laatste. In 1981 werd door het Ministerie van Justitie een voorontwerp van wet opgesteld. Dit voorontwerp was in hoofdzaak gebaseerd op het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht en de adviezen van de RMK, de Gecombineerde Commissie en het NGB. Ook dit voorontwerp werd weer onderwerp van commentaar. De Gecombineerde Commissie zag zelfs aanleiding om een tweede advies over de geschillenregeling uit te brengen. Wederom kon de ontworpen regeling grotendeels haar goedkeuring dragen.1
De Commissie Vennootschapsrecht besprak in haar vergaderingen het voorontwerp meermalen. Volgens de wetsgeschiedenis bij het uiteindelijke wetsvoorstel hebben de discussies binnen de Commissie Vennootschapsrecht geleid tot fundamentele wijziging van het voorontwerp. Zo vereenvoudigde de minister de procedure van gedwongen overdracht (of uitstoting) sterk. Het uitgangspunt om de blokkeringsregeling zoveel mogelijk in acht te nemen, werd verlaten. Zoals ik beschreef, verviel de ontbindingsmogelijkheid. Ook kon de geschillenregeling tegen de vruchtgebruiker en de pandhouder worden aangewend.2 In verband met vele andere wetsontwerpen van vennootschaps- en rechtspersonenrecht duurde het nog tot 15 maart 1985 vooraleer het wetsvoorstel ten slotte werd ingediend bij de Tweede Kamer.
De reacties in de literatuur op het wetsvoorstel waren over het algemeen positief. Slagter juichte het toe dat niet meer naar het 'paardemiddel van het enquêterecht' behoefde te worden gegrepen. Hij meende dat de geschillenregeling een fraai repressief en preventief hulpmiddel kon betekenen.3 Ook Van Steenbergen was optimistisch. Hij vond wel dat een en ander veel eerder ingevoerd had moeten worden. Er bestond in de praktijk reeds jarenlang behoefte aan een wettelijke regeling. Zijns inziens zou van de geschillenregeling een preventieve werking uitgaan. Met zo'n 'stok achter de deur' wilde men de zaak vast eerder in der minne regelen.4 Emmerig voorspelde dat het aantal enquêtezaken na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel zou afnemen. De conflicten die voorheen aanleiding waren een enquête te gelasten, losten zich voortaan op via de geschillenregeling.5 Kort na de inwerkingtreding van de geschillenregeling meende Westbroek dat de nieuwe procedures in een behoefte voorzagen. Hij verwachtte dat de geschillenregeling regelmatig zou worden toegepast.6
Het rechtsmiddel waarmee het allemaal was begonnen, de ontbinding van de vennootschap wegens gewichtige redenen, heeft het wetgevingsproces niet overleefd. Zij is uiteindelijk niet opgenomen in de wettelijke geschillenregeling.7 In het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht uit 1975 was nog wel in de rechterlijke ontbinding voorzien. De OK mocht slechts bij hoge uitzondering en met uiterste behoedzaamheid van het middel gebruik maken.8 De Commissie Vennootschapsrecht vond dat de ontbinding niet tegen de wil van de overgrote meerderheid van de aandeelhouders kon worden uitgesproken en stelde de eis dat minimaal een derde van de aandelen moest worden gehouden. Deze redenering van de Commissie Vennootschapsrecht is niet goed volgbaar. Stel dat er drie aandeelhouders zijn die elk een derde van de aandelen houden. Een aandeelhouder (X) wil de vennootschap graag ontbonden zien, maar de andere twee aandeelhouders — tweederde van het kapitaal vertegenwoordigend — niet.
X kan nu toch, tegen de wil van een tweederde meerderheid, de ontbinding verzoeken. Het is mogelijk dat de Commissie Vennootschapsrecht een tweederde meerderheid niet als 'overgrote' meerderheid heeft aangemerkt.9 Voorts is het opmerkelijk dat in het ontwerp van de Commissie Vennootschapsrecht voor een bevel tot overdracht een aandeelhouder minimaal de helft van de aandelen moest houden. Een aandeelhouder met een derde van de aandelen mocht dus wel een ontbinding verzoeken, maar niet een medeaandeelhouder uitstoten.10
In het voorontwerp uit 1981 was de ontbinding opgenomen bij wijze van additionele voorziening. Indien de uitstoting niet tot daadwerkelijke overdracht leidde omdat niet alle aandelen werden aanvaard, dan konden de eisende aandeelhouders de rechter vragen voorzieningen te treffen. Een van die voorzieningen was de ontbinding van de vennootschap.11 De Minister van Justitie De Ruiter verwierp in dit voorontwerp de door de Commissie Vennootschapsrecht voorgestelde mogelijkheid van een aparte procedure voor ontbinding van de vennootschap wegens gewichtige redenen. Hij meende dat aan een zelfstandige procedure tot ontbinding in de geschillenregeling niet veel behoefte zou bestaan, omdat in het enquêterecht reeds was voorzien in een ontbindingsmogelijkheid. Meestal was er bij een ontbinding toch ook sprake van wanbeheer, zo redeneerde de minister. Slechts indien het bevel tot overdracht geen effect sorteerde, mocht de ontbinding bij wijze van voorziening in de geschillenregeling als laatste redmiddel worden toegepast.12
De ontbinding werd uiteindelijk in geen enkele variant in de wettelijke geschillenregeling opgenomen. De minister die het wetsvoorstel heeft ingediend (F. Korthals Altes), verdedigde dit met de stelling dat de ontbindingsmogelijkheid niet meer nodig was. De uitstotingsvordering kon niet meer 'doodlopen'. Het vonnis hield niet alleen een toewijzing van de vordering tot overdracht in, maar tevens een veroordeling van de eiser tot contante betaling van de over te dragen aandelen.13
De geschillenregeling trad uiteindelijk op 1 januari 1989 in werking. De woorden van de toenmalige Minister van Justitie Korthals Altes tijdens de parlementaire behandeling in 1987 (zie de aanhef van hoofdstuk I) bleken omineus. De geschillen-regeling werkt in de praktijk niet goed. Zij is 'vrijwel onhanteerbaar' en een `zwakke broeder (die) lijdt aan meer ziektes'.14 Zo kon het gebeuren dat al binnen vijftien jaar na de inwerkingtreding over de wijziging van de geschillenregeling werd gesproken.