Einde inhoudsopgave
Publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen (IVOR nr. 74) 2010/15.3.1.1
15.3.1.1 Gevolgen van het "publiek goed" karakter van informatie
mr. J.B.S. Hijink, datum 16-09-2010
- Datum
16-09-2010
- Auteur
mr. J.B.S. Hijink
- JCDI
JCDI:ADS581478:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Holzhauer/Teijl (1995), p. 15-16. Een ander kenmerk van publieke goederen is overigens dat deze niet-rivaliserend zijn, dat wil zeggen dat verbruik van het goed door de ene consument niet ten koste gaat van de (verbruiks)mogelijkheden van het goed voor andere consumenten. Toegepast of 'informatie' is Schbn (2006), p. 25, van mening dat ook wat betreft dit kenmerk 'informatie' als een publiek goed kan worden gezien. Meer genuanceerd — naar mijn mening terecht — hierover: Easterbroolc/Fischel (1991), p. 287. Zie ook — hierna - voetnoot 39.
In het bijzonder in Coffee (1984).
Coffee (1984), p. 724 e.v.
Vgl. Coffee (1984), p. 723-724. Hij doelt daarmee op informatie over exogene factoren die de resultaten van beursvennootschappen kunnen beïnvloeden, zoals rente-ontwikkelingen, overheidsvoornemens voor wet- en regelgeving, informatie van concurrenten en demografische gegevens.
Coffee (1984), p. 724.
Coffee (1984), p. 725. Opvallend is daarbij overigens de onderbouwing die Coffee geeft voor zijn standpunt. Coffee merkt namelijk op (p. 725) dat het kenmerk van nietuitsluitbaarheid van informatie aanwezig is omdat informatie 'seldom can be confined to a single user because many people have a motive to leak it. When the corporate insider tips a friend of a material impending development, the information does not stop with the tippee, but tends to passed on.' Dit argument overtuigt naar mijn mening niet. Het impliceert bijvb. dat het opleggen van een tipverbod (van voorwetenschap) — zoals thans in de Europese Unie op grond van art. 3 van de Richtlijn Marktmisbruik is voorgeschreven — een afdoende middel zou kunnen zijn om het publieke goed karakter van informatie te verminderen. Door het opleggen (en handhaven) van een dergelijk tipverbod zou immers in minder mate aan het kenmerk van niet-uitsluitbaarheid worden voldaan. Overtuigender is de zienswijze van Easterbroolc/Fischel (1991), p. 287. Zij merken namelijk op dat 'those who learn about a security may profit from their information. They cannot obtain all of the benefits, because others in the market will infer the news, and the price of the securities will adjust. The new price will `contain' the news, preventing the person who first learned it from taking further gains.' Op deze wijze bezien kan informatie nog steeds worden gezien als een goed dat kenmerken vertoont van een publiek goed. Ook in deze zienswijze is immers sprake is van 'niet-uitsluitbaarheid'. In de praktijk zal zich de situatie van niet-uitsluitbaarheid zich echter weinig voordoen omdat informatie snel, in de woorden van Easterbroolc/Fischel (1991), p. 286, 'used up' zal zijn. Het gevolg ervan is dat de mogelijkheden voor analisten om alle voordelen te realiseren nog steeds beperkt zijn.
Coffee (1984), p. 725-730, in het bijzonder p. 727.
Coffee (1984), p. 729. Daar wordt door Coffee aan toegevoegd (p. 730-733) dat aangenomen mag worden dat een afname van de kosten voor analisten tot gevolg heeft dat meer beursvennootschappen zullen worden geanalyseerd. Ook mag, volgens Coffee, worden verwacht dat naarmate meer beursvennootschappen onderwerp van analyse zijn, de kapitaalmarkten efficiënter zullen werken.
Coffee (1994), p. 722.
Een belangrijk kenmerk van publieke goederen is dat sprake is van nietuitsluitbaarheid; het is (praktisch gezien) onmogelijk om tussen de consumenten van het goed een onderscheid aan te brengen in betalende en niet-betalende consumenten.1 Als gevolg daarvan zal zich het "free rider-probleem" voordoen: rationeel handelende consumenten zullen (te) weinig betalen voor de productie van het goed. Dit zal leiden tot minder productie van dat goed onderproductie — dan sociaal gezien wenselijk is. De toepasselijkheid van het publieke goed perspectief op door beursvennootschappen te publiceren informatie is met name door Coffee uitvoerig verdedigd.2 De basis van zijn betoog is de constatering dat de werkzaamheden van (markt)analisten als de noodzakelijke voorwaarde voor het efficiënt functioneren van de hedendaagse effectenmarkten moet worden gezien.3 Marktanalisten zoeken en verifiëren, naast het verifiëren en vergelijken van door individuele beursvennootschappen gepubliceerde informatie, ook informatie afkomstig uit andere bronnen.4 Professionele marktanalisten zijn hier bovendien beter — tegen lagere kosten toe in staat dan individuele investeerders of beursvennootschappen zelf; vanwege een vergaande mate van specialisatie en schaalvoordelen.5
Vervolgens stelt Coffee voorop dat informatie over effecten als een publiek goed kan worden gezien. Informatie bezit de karakteristieke eigenschap van "non-excludability". Als uitvloeisel daarvan is het voor analisten niet mogelijk om alle economische opbrengsten van hun zoek- en verificatieproces volledig te realiseren.6 Dit heeft uiteindelijk tot gevolg dat marktanalisten minder activiteiten zullen verrichten dan alle investeerders gezamenlijk zouden wensen. Dit leidt tot de situatie dat sprake is van een, vanuit maatschappelijk oogpunt bezien, onderproductie van de hoeveelheid informatie over beursvennootschappen.7 In de situatie waarin voor beursvennootschappen geen verplichting bestaat om informatie te publiceren blijft dit probleem bestaan. Investeerders zijn derhalve gebaat bij het opleggen van publicatieverplichtingen aan beursvennootschappen, aldus Coffee. Immers, zo constateert hij, "[t]o the extent that mandated disclosure reduces the market professional's marginal cost of acquiring and verifying information, it increases the aggregate amount of securities research and verification provided."8 Een systeem gebaseerd op publicatieverplichtingen voor beursvennootschappen kan "thus be seen as a desirable cost reduction strategy through which society, in effect, subsidizes search costs to secure both a greater quantity of information and a better testing of its accuracy."9