Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/6.5.1.4
6.5.1.4 Voorbehoud van goedkeuring door de directie als potestatieve voorwaarde
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS304226:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Op het formuleren van voorbehouden als beperking op de vertegenwoordigingsbevoegdheid kom ik in het navolgende nog meer uitvoerig terug. Vgl. verder hetgeen door C.J.H. Brunner is opgemerkt in zijn noot onder HR 24 maart 1995, NJ 1997, 569 (Beliën/Provincie Brabant) naar aanleiding van een gemaakt voorbehoud van goedkeuring door Gedeputeerde Staten.
Zie voor een goed voorbeeld hiervan de hierna te bespreken uitspraak Vznr. Rb. 's-Hertogenbosch van 14 april 2008, LIN: BD0037 inzake Rijkers/Essent.
Brink 2009, p. 291 e.v.
Brink 2009, p 293.
Zie ook stelling 4 bij diens dissertatie: een potestatieve voorwaarde is wel een voorwaarde.
Vgl. ook Schaafsma en Elzenga 2004, p. 29 e.v. en de aldaar genoemde rechtspraak en literatuur, waarin zij aan de hand van een rechtspraakanalyse een aantal aanbevelingen hebben geformuleerd voor de praktijk. Ten aanzien van het 'subject to board approval'-voorbehoud merken zij onder meer op dat het onder omstandigheden de voorkeur verdient om het (hierna te bespreken) 'subject to contract'-voorbehoud op te nemen in de pre-contractuele fase dan een 'subject to board approval'-voorbehoud, met name daar wanneer er sprake is van een geringe afstand tussen de onderhandelaar en degene die uiteindelijk de toestemming moet geven.
Rb. Rotterdam 21 november 2007, LIN: BCO215.
Vgl. M.C. Schepel 1997, p. 123 e.v.
Vznr. Rb. 's-Hertogenbosch 14 april 2008, L.IN: BD0037.
Anders: Brink 2009, p. 292. Vgl. ook: Vranken 1989, p. 108 e.v., waarin hij opmerkt dat er minder ruimte is voor toetsing van een 'subject to board approval'-clausule aan de redelijkheid en billijkheid dan bij andere voorbehouden. Een 'subject to board approval'-voorbehoud zou volledig kunnen worden ingeroepen zolang de bevoegdheid daartoe maar tijdig, expliciet en onbeperkt is gecommuniceerd. In gelijke zin Vznr. Hof Amsterdam 23 augustus 2004, NJ 2006, 265 (Fiji/NSS) waarin het Hof bij een 'subject to contract'-voorbehoud oordeelde dat tussen partijen een overeenkomst tot stand was gekomen en dat het enige dat ontbrak nog was de ondertekening van de Service Ordering Agreement en de Service Ordering Form door beide partijen. Het Hof oordeelde dat het, gelet op alle omstandigheden van het geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moest worden geacht dat NSS een beroep kon doen op het feit dat Fiji de overeenkomsten nog niet had ondertekend. Daarbij is overigens wel relevant om op te merken dat de degene die aan de zijde van NSS had onderhandeld, bevoegd was om namens NSS overeenkomsten aan te gaan en dat — kort gezegd — consensueel overeenstemming was bereikt over alle essentialia van de overeenkomst.
Speciale aandacht in het kader van de potestatieve voorwaarden vereist het "voorbehoud goedkeuring directie" ("subject to board approval"). Uit het praktijkonderzoek is naar voren gekomen dat dit, bij onderhandelingen waarbij een vennootschap is betrokken, een van de meest voorkomende voorbehouden is waarvan de praktijk zich bij onderhandelingen namens een rechtspersoon, bedient. Dit voorbehoud wordt veelal gezien als een opschortende voorwaarde, maar kan dat m.i. uit de aard der zaak niet zijn nu zij juridisch dient te worden beschouwd als een potestatieve voorwaarde. De reden daarvoor is gelegen in de omstandigheid dat wordt onderhandeld met een rechtspersoon. Het goedkeuringsvoorbehoud wordt bedongen namens de rechtspersoon maar de iure kan het namens diezelfde rechtspersoon al dan niet worden gehonoreerd. Dat het voorbehoud van goedkeuring door de directie wordt gemaakt door andere vertegenwoordigers van de vennootschap dan de directie doet daar niet aan af. Anders gezegd: het kan best zo zijn dat de ene (bevoegde) vertegenwoordiger een voorbehoud maakt van goedkeuring door de andere (bevoegde) vertegenwoordiger van de rechtspersoon, maar uiteindelijk is het natuurlijk de rechtspersoon die gebonden wordt en aan wie het handelen van de beide vertegenwoordigers dient te worden toegerekend. Daarmee komt naar mijn mening het bedingen van een voorbehoud van goedkeuring door een andere bevoegde vertegenwoordiger van de rechtspersoon neer op een potestatieve voorwaarde zodat een dergelijk "subject to board approval"-voorbehoud in dat geval juridisch in beginsel (met inachtneming van de hiervoor omschreven nuancering) niet mag worden gekwalificeerd als een opschortende voorwaarde. Omschrijft men dergelijke voorbehouden wel als opschortende voorwaarden, dan is m.i. sprake van een niet bestaande, nietige of, zo men wil, non-existente overeenkomst. Dergelijke voorbehouden dienen derhalve, wanneer men aan nietigheid wil ontkomen, te worden gekwalificeerd als beperkingen op de vertegenwoordigingsbevoegdheid van degene die de voorwaarde bedingt.1 In mijn visie komt men aan een beroep op een als een opschortende voorwaarde geformuleerde potestatieve voorwaarde ook nimmer toe; er is immers in het geheel geen overeenkomst tot stand gekomen en dus ook geen voorwaardelijke. Dat dit verregaande consequenties heeft, moge duidelijk zijn, al worden deze m.i. ten onrechte niet altijd getrokken.2 Brink lijkt deze consequentie bijv. niet te willen trekken.3 Zie ik het goed, dan plaatst hij het leerstuk van de potestatieve voorwaarde (voor zover het althans het "subject to board approval"-voorbehoud betreft) vooral in de sleutel van art. 6:23 BW dat bepaalt dat, kort gezegd, wanneer een partij bij de niet-vervulling van een voorwaarde belang had, die vervulling heeft belet, de voorwaarde als vervuld geldt indien redelijkheid en billijkheid dit verlangen. Brink schrijft:
"De opmerking van Brunner in zijn noot onder het arrest waarnaar hiervoor wordt verwezen (het arrest Beliën/Provincie Brabant, MR) met betrekking tot een potestatieve voorwaarde is wat te kort door de bocht. Brunner merkt op dat er geen sprake zou zijn geweest van een overeenkomst onder voorwaarde, omdat er niet sprake zou zijn geweest van een toekomstige onzekere gebeurtenis. Die visie kan niet zo algemeen (meer) worden toegepast (...). (...) De regels van art. 6:23 moeten, zoals ook in het artikel is uitgedrukt, worden beschouwd als een toepassing van het beginsel van de redelijkheid en billijkheid dat onder andere is neergelegd in art. 6:2 en 6:248. Art. 6:23 lid 1 ziet op de vraag of een verhindering van de vervulling van een voorwaarde niet zonder rechtsgevolg moet blijven, wanneer de partij die bij de niet vervulling belang had, de vervulling heeft belet. Volgens lid 2 van die wetsbepaling geldt een voorwaarde als niet vervuld, wanneer de partij die bij de vervulling belang had, de vervulling zelf heeft teweeg gebracht. In beide gevallen echter alleen wanneer de redelijkheid en billijkheid dat verlangt. In het geldende recht is het minder van belang om te twijfelen over de vraag of met wel met een voorwaarde van doen heeft. Dit komt door de erkenning van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Art. 6:2 lid 2 en 6:248 lid 2 (vgl. ook art. 6:258), waardoor ook buiten de door art. 6:23 getrokken grenzen een beroep op het (niet) vervuld zijn van de voorwaarden kan worden afgesneden, met name in verband met gedragingen van degene die dit beroep doet (rechtsverwerking). Ook bevat het huidige recht meer algemene regels die evenzeer als een toepassing van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zijn te beschouwen en een beroep op art. 6:23 overbodig maken. Een algemene regel voor de toepasselijkheid van art. 6:23 is niet te geven. Het volstaat dat er sprake van moet zijn dat er in verband met het doel en de strekking van de overeenkomst volgens de eisen van redelijkheid en billijkheid sprake is van een onterechte bewerkstelliging van het vervullen van een voorwaarde dan wel het beletten van het vervuld worden van een voorwaarde."4
Zie ik het goed, dan betoogt Brink dat een potestatieve voorwaarde wel degelijk een geldige opschortende voorwaarde is5, maar dat de redelijkheid en billijkheid via de weg van art. 6:23 BW met zich kunnen brengen dat daarop geen beroep kan worden gedaan, omdat (kennelijk) de partij ten behoeve van wie het "subject to board approval"-voorbehoud is gemaakt, goedkeuring onthoudt, die partij zelf bij de niet-vervulling van de voorwaarde belang geacht moet worden te hebben gehad en vervolgens zelf heeft belet dat de vervulling intrad (art. 6:23 lid 1 BW). Is het niet in vervulling gaan van de voorwaarden dan vervolgens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, dan zou de voorwaarde dus als vervuld moeten worden beschouwd.
Deze gedachtegang valt niet te verenigen met het (door mij aangehangen) uitgangspunt dat een potestatieve voorwaarde (waarbij de eigen wilsverklaring dus afhankelijk wordt gesteld van het bestaan van een daarmee overeenstemmende wil van dezelfde persoon op een later tijdstip) kwalificeert als een niet bestaande voorwaarde omdat zij ertoe leidt dat er in het geheel geen overeenkomst kan worden aangenomen, dus ook geen voorwaardelijke. Het voorbehoud wordt dus, anders gezegd, geacht nooit te zijn gemaakt zodat er ook nimmer een beroep op gedaan kan worden en men dus bijv. ook niet toekomt aan een toetsing van een beroep op het voorbehoud aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid casu quo aan art. 6:23 BW. Het doet m.i. ook wat vreemd aan om een partij die zijn wil afhankelijk heeft gesteld van een daarmee op een later moment (nog steeds) overeenstemmende eigen wil, het te vergunnen om op zijn in eerste instantie geuite wil terug te komen, mits dat maar — kort gezegd — naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid aanvaardbaar is. Dit is echter wel de consequentie van het uitgangspunt van Brink.6
Onderstaand volgt enige rechtspraak die deze discrepantie, die — zoals we zullen zien — deels samenhangt met de kwalificatievraag van een "subject to board approval"-voorbehoud, nader illustreert. Allereerst de overwegingen van de Rb. Rotterdam in het vonnis van 21 november 2007 7 In deze zaak werd geprocedeerd over een "subject to board approval"-voorbehoud. Nadat de goedkeuring door de directie uitbleef, werd door de teleurgestelde partij een juridische procedure geëntameerd, waarin primair werd gesteld dat, met het betreffende voorbehoud, sprake zou zijn geweest van een opschortende voorwaarde. (to. 3.1) Daaraan zou in het betreffende geval zijn voldaan zodat, aldus de eisende partij,
een overeenkomst tot stand zou zijn gekomen. Anders dan de eisende partij ziet de rechtbank het betreffende voorbehoud echter niet als een opschortende voorwaarde, maar als een eenzijdig opgeworpen beding waarbij "duidelijkheid is gecreëerd met betrekking tot de bevoegdheden" van de persoon waarmee werd onderhandeld. (r.o. 5.3.3) Daarmee ziet de rechtbank het betreffende voorbehoud van goedkeuring door de directie dus klaarblijkelijk niet als een opschortende voorwaarde, maar als ofwel een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van degene die namens de vennootschap onderhandelde (vooropgesteld dat deze persoon zonder de betreffende beperking bevoegd zou zijn geweest om de vennootschap te binden), ofwel als een bevestiging van de onbevoegdheid van die persoon (uitgaande van de veronderstelling dat de persoon in kwestie geen bevoegdheid bezat om de vennootschap te vertegenwoordigen).8
Verder verwijs ik naar de recente uitspraak van 14 april 2008 van de Vznr. Rb. 'sHertogenbosch9. Het betreft een kortgedingprocedure tussen Holding A.H.M. Rijkers B.V. ("Rijkers") en Essent Vastgoed B.V. ("Essent"). Partijen hadden met elkaar een koopovereenkomst afgesloten waarin onder meer het volgende was opgenomen:
"Ontbindende en/of opschortende voorwaarden
Deze overeenkomst komt tot stand onder voorbehoud van de definitieve goedkeuring van de Raad van Bestuur van Essent. Verkoper kan zich tot uiterlijk drie weken na ondertekening door koper van deze koopbevestiging op deze ontbindende voorwaarde beroepen."
Verkoper, Essent, werd hierbij vertegenwoordigd door Makelaar Zadelhoff, een landelijk bekende en, naar het oordeel van de rechtbank, te goeder naam en faam bekend staande makelaar, iets waar de rechtbank bij zijn beoordeling van het geschil nogal waarde aan lijkt te hechten. Wat hiervan verder zij, op een gegeven moment laat Essent Rijkers weten:
"De thans lopende verkoopprocedure van de Essent locatie te Valkenwaard wordt door Essent ingetrokken. Reden hiervoor is dat de Raad van Bestuur van Essent besloten heeft geen goedkeuring te verlenen voor de gunning. Essent beraadt zich op welke wijze zij het object wil verkopen."
Essent heeft nadien besloten om een verkoop bij inschrijving te doen houden volgens een door haar bij de eis in reconventie in het geding gebracht conceptbidbook. Rijkers laat conservatoir beslag leggen op de betreffende onroerende zaak en vordert levering daarvan. Essent voert uitvoerig verweer en beroept zich op de hiervoor genoemde ontbindende voorwaarde. Ten aanzien van dit verweer overweegt de rechtbank (r.o. 4.5.1) als volgt:
"Voor zover Essent heeft willen betogen (...) dat het simpelweg om een voorwaarde zou gaan die nu eenmaal niet vervuld is, faalt dat betoog omdat ten deze sprake is van een potestatieve voorwaarde, die geen (opschortende of ontbindende) voorwaarde in de zin van art. 6:21 BW is. (Vgl. Brunner in punt 2 van zijn noot onder HR 24-03-1995, NJ 1997/596, Beliën/Provincie Brabant). Het gaat hier niet om goedkeuring door een derde (overheid, vakbond, deskundige of dergelijke) maar om een wilsverklaring van Essent zelf."
Met deze conclusie van de rechtbank kan ik mij helemaal verenigen. Echter, dan maakt de rechtbank een m.i. vreemde tournure door aansluitend te overwegen:
"Aldus blijft onverkort de vraag of, gelet op (a) de feiten en omstandigheden van de zaak, op (b) hetgeen feitelijk was voorgevallen (...), op (c) de gevolgtrekkingen die daaruit moeten worden getrokken (...), en op (d) meer in het bijzonder het in de brief van 21 december 2007 onder 3 opgenomen beding, het onthouden door die Raad van definitieve goedkeuring aan het onderhandelingsresultaat, onaanvaardbaar is."
De rechtbank verbond aan de vaststelling dat sprake is van een potestatieve voorwaarde die (kennelijk) bedoeld is als opschortende voorwaarde, niet de naar mijn mening enige mogelijke conclusie, namelijk dat deze voorwaarde niet bestaat, simpelweg omdat er, als gevolg van het potestatieve karakter van de voorwaarde, in het geheel geen overeenkomst tot stand is gekomen. Er viel door de directie van Essent (en daarmee, strikt genomen: Essent zelf dus) nergens een beroep op te doen zodat het in mijn optiek ook een zinledige vraag is of "het onthouden door de Raad van definitieve goedkeuring aan het onderhandelingsresultaat onaanvaardbaar is". In het verlengde daarvan behoefde de rechtbank in mijn visie dus ook niet (meer) in te gaan op het verweer van Essent dat erop neerkomt dat het de directie van Essent vrij stond om naar willekeur, althans zonder opgave van reden, een beroep te kunnen doen op de betreffende voorwaarde. De rechtbank overweegt namelijk, direct aansluitend op de vaststelling dat hier sprake is van een potestatieve voorwaarde, dat deze stelling rechtens onjuist is:
"Reeds de omstandigheid dat zij het beroep op het goedkeuringsvoorbehoud zonder opgave van redenen heeft gedaan, maakt zulks in de omstandigheden dat zij zich (1) verregaand en in toenemende mate aan het door haarzelf voorgestelde onderhandelingstraject had gecommitteerd, (2) daardoor bij Rijkers het vertrouwen heeft gewekt om met haar in dat traject (en niet: in een nader traject) tot een overeenkomst te komen en (3) daartoe haar bekwame onderhandelaar een objectief goed onderhandelingsresultaat heeft laten brengen, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar."
Kennelijk wenste (of kon) Essent zich ter zitting evenmin uitlaten omtrent de redenen voor de Raad van Bestuur van Essent om zich — kort gezegd — uit de onderhandelingen met Rijkers terug te trekken. Niettemin deed de rechtbank nog een poging om, ondanks de kennelijke weigering van Essent om zich daarover uit te laten, te onderzoeken of de Raad van Bestuur van Essent wellicht toch niet een gegronde reden zou kunnen hebben gehad om goedkeuring te weigeren. De rechtbank overwoog te dien aanzien dat die grond:
niet kan bestaan in een nader te rade geworden zijn om het object iberhaupt niet te verkopen;
niet kan bestaan in de persoon van Rijkers aangezien ter zitting door Essent naar voren is gebracht dat Rijkers vanzelfsprekend kon meedoen bij de verkoop bij inschrijving volgens het overgelegde bidbook;
niet kan bestaan in de persoon van de notaris aangezien er geen enkele reden valt te bedenken waarom Rijkers met een andere, door Essent voorgestelde notaris niet akkoord had willen gaan en Essent dat nog niet eens aan Rijkers had gevraagd;
niet gelegen kan zijn in onvoorziene omstandigheden als bedoeld door de Hoge Raad in het arrest De Ruijterij/MBO. Daarvan is, aldus de rechtbank, niets gesteld of gebleken.
Er restte, aldus de rechtbank, geen andere gevolgtrekking dan dat het motief om goedkeuring te weigeren inderdaad het eerder in het vonnis genoemde meest voor de hand liggende was, te weten: een manoeuvre om onder het zelf uitgezette onderhandelingstraject uit te komen teneinde bij Rijkers, wiens bedrijfsbelang bij het verwerven van juist dit object gaandeweg de onderhandeling een stuk duidelijker was geworden, wat tot een verzwakking van zijn onderhandelingspositie leidde, tot een hoger "bod bij inschrijving" te bewegen. Een dergelijke manoeuvre, aldus de rechtbank, is in alle hiervoor beschreven omstandigheden van het geval in strijd met elementaire beginselen van betamelijk onderhandelen en is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De slotsom van de rechtbank was dan ook
"dat Essent op 31 januari 2008, toen zijn zich op het voorbehoud beriep, en op 31 maart 2008 toen zij ter zitting dat beroep in rechte handhaafde, geen goede reden wist aan te voeren op grond waarvan de Raad van Bestuur haar goedkeuring had kunnen weigeren terwijl dergelijke redenen ook niet eenvoudig voorstelbaar zijn."
Naar mijn mening had de rechtbank, met de vaststelling dat sprake was van een als opschortende voorwaarde geformuleerde potestatieve voorwaarde, allereerst dienen vast te stellen dat er tussen partijen nog in het geheel geen overeenkomst tot stand was gekomen. Vervolgens had dan onderzocht kunnen worden of het afbreken van de onderhandelingen in het onderhavige geval onaanvaardbaar was. Daarvoor had de voorzieningenrechter de hiervoor aangehaalde overwegingen met betrekking tot — kort gezegd — het antwoord op de vraag of een beroep op het voorbehoud naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid nog mogelijk moest worden geacht, helemaal niet nodig gehad.10 Dat wil zeggen: tenzij men de uitspraak van de voorzieningenrechter aldus interpreteert (maar daartoe laat de tekst op het punt van de potestatieve voorwaarde naar mijn smaak niet erg veel ruimte voor) dat de rechtbank bedoeld heeft om het onderhavige goedkeuringsvoorbehoud ten behoeve van de directie anders te kwalificeren dan als een opschortende voorwaarde. Moet men de overwegingen van de rechtbank aldus begrijpen dat hier sprake was van een beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de makelaar, Zadelhoff (die door de rechtbank als vertegenwoordiger van Essent wordt gezien), of in elk geval een duidelijke vingerwijzing dat slechts de Raad van Bestuur van Essent bevoegd zou zijn om Essent te kunnen vertegenwoordigen, dan zijn de overwegingen van de rechtbank waarbij de argumenten om tot vertegenwoordiging over te gaan, worden getoetst, wel degelijk waardevol. Op deze variant (goedkeuringsvoorbehouden als beperking op de vertegenwoordigingsbevoegdheid) ga ik in par. 5.4. uitvoerig in. Het betreffende voorbehoud kwalificeren als een vormvereiste (waarop in par. 5.2. wordt ingegaan) lijkt mij niet goed denkbaar aangezien het de Raad van Bestuur is die op grond van de wet (en de statuten van Essent) nu eenmaal bevoegd is om Essent te kunnen binden en in die zin dus niet van de wettelijke casu quo statutaire bepalingen wordt afgeweken. Dit ware wellicht anders geweest indien krachtens het voorbehoud de Raad van Bestuur slechts bijv. schriftelijk haar goedkeuring had kunnen verlenen. In dat geval zou men immers kunnen betogen dat Essent heeft willen afwijken van de consensuele wijze van totstandkoming van overeenkomsten als belichaamd in art. 6:217 BW. Dat was echter in dit geval niet dienovereenkomstig in de bevestiging van de koop verwoord.
Indien de rechter vaststelt dat sprake is van een potestatieve voorwaarde, met als gevolg dat er tussen partijen geen overeenkomst tot stand is gekomen, en hij vervolgens onderzoekt in hoeverre het de afbrekende partij overigens vrij stond om de onderhandelingen af te breken, rijst de vraag in hoeverre het gegeven dat de afbrekende partij kennelijk de wil had om een overeenkomst onder een potestatieve voorwaarde te sluiten, relevant is voor de beantwoording van de vraag in hoeverre dit gegeven geacht moet worden te hebben bijgedragen tot een eventueel aan te nemen of ontbreken van totstandkomingsvertrouwen. Naar ik meen zal de hiervoor bedoelde wil niet snel bij kunnen dragen tot het ontstaan van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen; er ligt immers (ook) een zekere voorwaardelijkheid in besloten. De bedoeling van degene die de potestatieve voorwaarde heeft bedongen zal, zo moet worden aangenomen, hoogstwaarschijnlijk zijn geweest om eerst nog de mening van één of meer anderen te vernemen (althans het ontstaan van de overeenkomst daarvan afhankelijk te laten zijn), alleen heeft hij de voorwaardelijkheid die hij klaarblijkelijk wilde inbouwen, op een (juridisch) onjuiste wijze geprobeerd in het vat te gieten. Dit leidt er m.i. toe, dat gegeven het voorwaardelijke element dat in die bedoeling besloten ligt — het bedingen van een potestatieve voorwaarde niet snel zal kunnen bijdragen tot het ontstaan van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen, maar juist eerder spreekt voor het tegendeel.