Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.7.1
6.6.7.1 Wel tussenkomst van partijen; art. 15 lid 1 sub a Vo-BIIbis
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS434200:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. art. 8 lid 1, r streepje, art. 9 lid 1, r streepje HKbV 1996.
Zie voor het HKbV 1996, Kamerstukken II 2004/05, 29 981, nr. 5, p. 9 (Nota n.a.v. het verslag): `De rechter zal een overdracht kunnen bewerkstelligen door de zaak te schorsen en partijen uit te nodigen de zaak bij de rechter in het andere land aanhangig te maken.'
Zie over dit begrip, par. 6.6.6.1.
Zie ook Practice Guide, p. 19. Het HKbV 1996 laat zich evenmin uit over de termijn waarbinnen partijen het verzoek bij de rechter van een andere verdragsstaat moeten instellen. Een amendement van het Europees Parlement om 'een maximumtermijn van een maand' op te nemen, heeft het niet gehaald (A5-0385/2002, p. 9).
Vgl. Amerikaanse Uniform Child-Custody Jurisdiction and Enforcement Act (1997), Section 207(c): 1f a court of this State determines it is an inconvenient forum and that a court of another State is a more appropriate forum, it shall stay the proceedings upon condition that a child custody proceeding be promptly commenced in another designated State (...)'.
Geimer/Schlitze (Dilger), VO (EG) 2201/2003 (EheVO), Art. 15, Anm. 15.
Partijen (of een van hen) kunnen niet verplicht worden om mee te werken aan het aanhangig maken van de zaak bij het gerecht in een andere lidstaat. De enige mogelijkheid die ik zie is dat in kortgeding de nakoming van de tussenbeschikking wordt afgedwongen. Ook kan de verwijzende rechter in de tussenbeschikking een dwangsom opnemen.
De eerste mogelijkheid ter verwezenlijking van een forum non conveniens-verwijzing is neergelegd in art. 15 lid 1 sub a Vo-BIIbis en vereist een actieve opstelling van partijen.1 De rechter die bevoegd is om ten gronde over een zaak te beslissen houdt de behandeling van de zaak of het betrokken onderdeel daarvan aan en nodigt de partijen uit om een verzoek tot verdere behandeling van de zaak te richten aan het gerecht in een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft. In Nederland zal de beslissing hiertoe, zo zou ik menen, in een tussenbeschikking neergelegd kunnen worden. Hierin zullen partijen dan in de gelegenheid worden gesteld om de zaak in het buitenland aanhangig te maken, terwijl iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.2 De verordening vereist dat het verzoek bij het buitenlandse gerecht wordt ingediend door 'de partijen' .3 Indien partijen het over de verwijzing oneens zijn, lijkt mij de weg van art. 15 lid 1 sub a niet reëel. Immers, tot een gezamenlijk verzoek van 'de partijen' zal het dan niet komen. Deze weg ligt evenmin voor de hand als het ten gronde bevoegde gerecht zelf het initiatief tot verwijzing heeft genomen dan wel het gerecht in een andere lidstaat waarmee het kind een bijzondere band heeft om verwijzing verzoekt. In die gevallen kunnen de gerechten de verwijzing onderling realiseren zonder de tussenkomst van partijen, met dien verstande dat ten minste een van de partijen akkoord is met de verwijzing. Onder art. 15 lid 1 sub a Vo-BIIbis kan dan nog maar één geval worden gebracht, namelijk het geval waarin de partijen het erover eens zijn dat het belang van het kind is gediend bij behandeling van de zaak door het gerecht in een andere lidstaat. De behandeling van de zaak bij het ten gronde bevoegde gerecht wordt dan aangehouden, opdat de partijen het forum conveniens kunnen adiëren.
De rechter van een lidstaat die de zaak aanhoudt en partijen uitnodigt om in het buitenland een verwijzingsverzoek in te stellen, stelt 'een termijn' vast waarbinnen de zaak bij het gerecht van de andere lidstaat aanhangig moet worden gemaakt (art.
15 lid 4, le zin). De verordening laat zich verder niet uit over een specifieke termijn, hetgeen de rechtszekerheid niet echt ten goede komt. Het mag duidelijk zijn dat het belang van het kind gebaat is bij een zo kort mogelijke termijn.4 Onnodige vertraging van de verwijzingsprocedure moet worden voorkomen. Vereist is dat een specifieke termijn wordt vastgesteld, zodat tijdsbepalingen als 'binnen een redelijke termijn' of 'binnen afzienbare termijn' niet zijn toegestaan.5 In de literatuur is wel eens een termijn van één maand aanbevolen.6 Met het oog op uniformiteit verdient het aanbeveling dat de Nederlandse 'liaison judge' voor de Nederlandse gerechten een bepaalde termijn als richtlijn vaststelt. Om iedere onduidelijkheid te voorkomen doet de verwijzende rechter er mijns inziens goed aan om niet slechts een termijn te noemen (bijvoorbeeld een maand), maar een specifieke datum waarop de zaak uiterlijk in het buitenland aanhangig moet zijn gemaakt.
Wat te doen indien de partijen het verwijzingsverzoek niet binnen de voorgeschreven termijn of op de uiterste datum bij het ontvangende gerecht hebben ingediend? Of indien de partijen dit bewust nalaten, omdat een van hen zich niet in de verwijzing kan vinden?7 Laten de partijen om welke reden dan ook na om tijdig een verwijzingsverzoek bij het ontvangende gerecht in te stellen, dan loopt de verwijzingsprocedure spaak. Art. 15 lid 4, r zin houdt hier ook rekening mee door te bepalen dat wanneer de zaak niet binnen de vastgestelde termijn bij het ontvangende gerecht aanhangig is gemaakt, de verwijzende rechter zijn bevoegdheid blijft uitoefenen. De conclusie moet dan ook zijn dat een forum non conveniens-verwijzing langs de weg van art. 15 lid 1 sub a Vo-BI:Ibis geen kans van slagen heeft als de partijen of een van hen zich tegen de verwijzing verzet. De weg van art. 15 lid 1 sub a is alleen met succes bewandelbaar als blijkt dat 'de partijen' hun medewerking zullen verlenen aan de verwijzing. Is dat niet het geval, dan kan de verwijzende rechter ervoor kiezen om zelf, buiten de partijen om, het gerecht in een andere lidstaat te adiëren.