Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/7.6:7.6 Aanbevelingen voor de toekomst
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/7.6
7.6 Aanbevelingen voor de toekomst
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS441139:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Gribnau & Lubbers, 2010, paragraaf 3 in het bijzonder.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Op basis van de onderzoeksresultaten en de daaruit getrokken conclusies, kom ik tot de volgende vijf aanbevelingen.
1. Het gebruik van het afwegingskader bij toekomstige keuzes van de heffingsmethoden
Ik beveel de fiscale wetgever aan om in het licht van de factoren die ik onderscheid in het afwegingskader, te verantwoorden hoe keuzes tussen de heffingsmethoden worden gemaakt.
Het is gewenst dat keuzes op het vlak van de heffingsmethoden in de toekomst systematischer en beter onderbouwd worden gemaakt. Het gebruik van het afwegingskader draagt daar aan bij. Door de gemaakte afwegingen expliciet op te nemen in bijvoorbeeld de memories van toelichting, worden deze voor het parlement en de belastingwetenschap zichtbaar en toetsbaar. Tevens biedt het de rechter meer handvatten om te beoordelen of een bepaalde ontwikkeling in de uitvoering (bijvoorbeeld op het vlak van het toezicht) nog aansluit bij de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever dan wel dat hij het oordeel daarover aan de wetgever moet laten, omdat het om een dusdanig ruime wetsuitleg vraagt dat feitelijk sprake is van rechtspolitieke beslissing.
2. Doorontwikkeling van het afwegingskader
Ik adviseer vervolgonderzoek naar het gepresenteerde afwegingskader.
Een eerste aanzet tot een afwegingskader is te vinden in paragraaf 6.5 hiervoor. Er is echter nog relatief weinig informatie over keuzes tussen heffingsmethoden voorhanden en bovendien blijkt uit dit onderzoek dat het maken van keuzes een veelzijdige en daarmee een complexe aangelegenheid is. Een belangrijk doel bij het verder ontwikkelen van het afwegingskader is het aanbrengen van een hiërarchie tussen de verschillende argumenten en deze te voorzien van een bepaald gewicht. Dat vergt vervolgonderzoek zowel binnen Nederland (naar resultaten waarbij gebruik is gemaakt van dit afwegingskader) als daarbuiten (naar de argumenten die zijn gebruikt bij initiële keuzes van heffingsmethoden en bij omzettingen).
Daarnaast is het in mijn ogen van belang om voor de keuze van decentrale belastingen een afwegingskader te ontwikkelen. Dit onderzoek heeft laten zien dat hier weliswaar dezelfde factoren als bij rijksbelastingen van belang zijn, maar het heeft ook inzichtelijk gemaakt dat daar soms andere argumenten aan ten grondslag liggen. Dit betreft bijvoorbeeld het vermelden van meerdere aanslagen op één aanslagbiljet om daarmee de uitvoeringslasten voor de desbetreffende gemeente of waterschap te verlagen.
3. Tussentijdse evaluatie van belastingwetgeving
Mijn aanbeveling aan de wetgever is om in een wetgevingsevaluatie, bijvoorbeeld eens per tien jaar, de keuze van de heffingsmethode te betrekken.
Uit dit onderzoek komt naar voren dat nadat een belastingwet eenmaal is ingevoerd, de omstandigheden na verloop van tijd kunnen wijzigen. Dit kunnen technologische ontwikkelingen zijn, inhoudelijke wijzigingen in de betreffende belastingwet zelf of gewijzigde maatschappelijke opvattingen. Naar mijn mening is het om die reden van belang om belastingwetten met enige regelmaat te evalueren, waaronder de keuze voor een bepaalde heffingsmethode.1 Dit met als doel om vast te stellen of omzetting naar een andere heffingsmethode wel of niet moet plaatsvinden.
In dit verband beveel ik ook aan een verdiepingsonderzoek uit te voeren naar de invloed die de tot nu toe doorgevoerde aanpassingen van het nieuwfeitvereiste hebben gehad op de door de Belastingdienst opgelegde navorderingsaanslagen.
4. De mogelijkheid van gedragsbeïnvloeding via de keuze voor een bepaalde heffingsmethode
Ik beveel aan om te onderzoeken of en in hoeverre het mogelijk is om het nalevingsgedrag van belastingplichtigen te beïnvloeden via de keuze voor een bepaalde heffingsmethode.
In dit proefschrift heb ik verschillende malen gewezen op internationaal onderzoek waarin wordt gesteld dat het nalevingsgedrag van belastingplichtigen verbetert als gevolg van de keuze voor ‘self-assessment’. Deze onderzoeken roepen nog de nodige vragen op. Om die reden adviseer ik om binnen Nederland een multidisciplinair onderzoek uit te voeren naar de vraag of het nalevingsgedrag van belastingplichtigen verband houdt met de keuze voor een specifieke heffingsmethode. Dit kan bijvoorbeeld door na te gaan of belastingplichtigen voor de inkomstenbelasting of vennootschapsbelasting ander nalevingsgedrag laten zien dan bij de omzet- en/of loonbelasting. Een andere te onderzoeken vraag is of de mate waarin belastingplichtigen zich betrokken voelen bij de totstandkoming van de belastingschuld (in verband met de eventuele invoering van een ‘no touch aangifte’) invloed heeft op hun belastingmoraal en compliance. Het doel van deze vervolgonderzoeken is vast te stellen of er een verband is tussen het nalevingsgedrag en de heffingsmethoden en het nalevingsgedrag dientengevolge onderdeel moet uitmaken van het afwegingskader.
5. Elders in de wereld toegepaste heffingstechnieken
Ik beveel vervolgonderzoek aan naar de heffingstechnieken die in het buitenland worden toegepast.
Uit dit onderzoek komt naar voren dat er vaak vanuit wordt gegaan dat er wereldwijd twee uniforme heffingstechnieken zijn. Namelijk ‘direct of administrative assessment’ en ‘self-assessment’. Dit onderzoek heeft aangetoond dat er geen sprake is van uniformiteit. Uit onderzoek van de bijvoorbeeld de AOTCA (zie hoofdstuk 6) blijkt tegelijkertijd dat er nog de nodige onduidelijkheid is op diverse vlakken, zoals het wel of niet opleggen van aanslagen. Ook op het vlak van de boeten en het toezicht (vooral de correctiemogelijkheden voor de Belastingdienst) zijn er de nodige van onderlinge verschillen. Bij de vormgeving van de heffingstechnieken, bijvoorbeeld in het kader van een vraag over het al dan niet omzetten, kunnen landen echter leren van de wijze waarop andere landen invulling hebben gegeven aan de vier kernelementen waaruit de heffingsmethoden bestaan. Om die reden beveel ik aanvullend rechtsvergelijkend onderzoek aan naar de verschillen tussen de in andere landen toegepaste heffingstechnieken.
In het verlengde daarvan beveel ik aan om nader onderzoek te doen naar de gevolgen van de omzetting naar een andere heffingstechniek. Dit onderzoek heeft voor een aantal landen al laten zien wat die gevolgen zijn. Via vervolgonderzoek kan meer inzicht worden verkregen in de doelen die men bij die omzettingen voor ogen had, in welke mate die zijn gerealiseerd en wat eventuele neveneffecten zijn.