Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/IX.5.1
IX.5.1 Terug naar IMG
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178698:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof ’s-Hertogenbosch 27 januari 2015, JOR 2015/132, m.nt. Groffen (IMG), rov. 3.4.5-3.4.6.
HR 3 juni 2016, NJ 2016/357, m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2016/233, m.nt. Van Vught (IMG), rov. 4.1.1. De cursivering is van de Hoge Raad.
HR 3 juni 2016, NJ 2016/357, m.nt. Van Schilfgaarde, JOR 2016/233, m.nt. Van Vught (IMG), rov. 4.2.2.
Verdam 2017, p. 287 en 2017b, p. 692.
In dezelfde zin als hier verdedigd de annotatoren Overes (Ondernemingsrecht 2016/126, p. 639) en Baghery (JIN 2016/126). Van Schilfgaarde houdt zich op de vlakte (NJ 2016/357).
In de IMG-zaak overweegt het hof dat IMG, door het lidmaatschap van NVT op te zeggen, handelde ‘in strijd met het bepaalde in art. 2:8 lid 1 BW en daarmee onrechtmatig [curs. KvV]’. IMG zegde het lidmaatschap van NVT abrupt en op oneigenlijke gronden op, hetgeen voor NVT in aanzienlijk nadeel resulteerde.1 Het cassatiemiddel valt deze overwegingen aan. Het klaagt dat een besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 lid 1 BW niet zonder meer een onrechtmatige daad oplevert jegens het geraakte lid, anders dan het hof lijkt overwegen. Hierop antwoordt de Hoge Raad:
‘Hoewel het [cassatiemiddel] terecht signaleert dat het hof van een gelijkstelling van deze twee normen lijkt uit te gaan, leidt dit – indien al als zodanig bedoeld – nog niet tot cassatie. Beide normen hebben immers een open karakter en dienen te worden ingevuld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Nu het hof (…) voor recht heeft verklaard dat IMG jegens NVT onrechtmatig heeft gehandeld, gaat het erom of de omstandigheden die het hof in aanmerking heeft genomen dat oordeel kunnen dragen.’2
Deze wat cryptische overweging laat zich niet gemakkelijk interpreteren. Ik lees haar zo, dat de Hoge Raad het met de steller van het middel eens is. Ook naar zijn oordeel levert een besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid niet per definitie een onrechtmatige daad op. Maar in dit geval leidt dat niet tot cassatie. Dat het hof beide normen aan elkaar gelijkstelt, maakt in casu niet uit. ’s Hofs overwegingen voldoen namelijk evenzo aan de in dezen juiste rechtsopvatting, die erop neerkomt dat de redelijkheid en billijkheid en de onrechtmatige daad beide normen stellen met een open karakter die moeten worden ingevuld aan de hand van de omstandigheden van het geval. De cassatieklacht snijdt kortom een terecht punt aan, maar dat mag hier niet baten nu ’s hofs motivering ook in het licht van de juiste rechtsopvatting deugdelijk gemotiveerd kan zijn. Overigens blijkt dat laatste niet het geval, als gevolg waarvan de Hoge Raad toch casseert naar aanleiding van een andere (motiverings)klacht.3
Verdam meent dat dit alles in het IMG-arrest niet te lezen valt.4 Ik denk daarover dus anders. De Hoge Raad spreekt zich over de materiële samenloop tussen de redelijkheid en billijkheid en de onrechtmatige daad wel degelijk uit. Een besluit dat met de redelijkheid en billijkheid in strijd is, levert jegens de betrokkene niet automatisch een onrechtmatige daad op. De normen zijn niet aan elkaar gelijk. Ze moeten telkens worden ingevuld aan de hand van de omstandigheden van het geval.5 Toegegeven, zonneklaar is het IMG-arrest niet. Maar zelfs voor wie hierover anders denkt, blijft de vraag of een redelijk besluit ook een rechtmatig besluit is. En andersom. Waar het in wezen om gaat, is in hoeverre de opvattingen van wat binnen de rechtspersoon redelijk en billijk is, in de zorgvuldigheidsnorm doorwerken. Om dit meer helder te krijgen, schets ik de eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad (§ 5.2) en geef ik enige voorzichtige aanzetten tot een ‘materiële samenloopleer’ (§ 5.3).