Het recours objectif, een herwaardering
Einde inhoudsopgave
Het recours objectif, een herwaardering (SteR nr. 56) 2022/8.3.1.2:8.3.1.2 Uiteenlopende visies op algemeen belang-acties
Het recours objectif, een herwaardering (SteR nr. 56) 2022/8.3.1.2
8.3.1.2 Uiteenlopende visies op algemeen belang-acties
Documentgegevens:
mr. B. Assink, datum 01-09-2022
- Datum
01-09-2022
- Auteur
mr. B. Assink
- JCDI
JCDI:ADS675389:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld Steenbeek/Stroink 1988, p. 204-209; Van Buuren 1978, p. 116-120 en Punt 1975, p. 87-90.
Donner 1987, p. 338.
Heldeweg, Schlössels & Seerden 2000.
Teunissen 2003, p. 64-65.
Bijvoorbeeld Kamerstukken II 2007-2008, 31 200, nr. 19.
Van Buuren 1978, p. 119.
Bijvoorbeeld Schreuder-Vlasblom 2017, p. 263-264 en Teunissen 2003, p. 62 en 64-65.
Zie bijvoorbeeld De Poorter & Van Heusden 2017, p. 80-82; De Poorter & De Graaf 2011, p.217-218 en 221-226 en Van Ettekoven 2009, p. 95-96.
Bijvoorbeeld Stolk 2020.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Zolang in bestuursrechtelijke beroepsprocedures algemeen belang-acties kunnen worden gevoerd, lopen de meningen over de wenselijkheid daarvan uiteen. De versoepeling van de strenge Bab-jurisprudentie in de jaren 70 van de 20e eeuw werd in de bestuursrechtelijke literatuur overwegend instemmend ontvangen, hoewel ook gematigde opmerkingen te bespeuren waren.1 Donner was in 1987 duidelijk kritisch over de door de Kroon ingeslagen ruimere koers. Hij schreef:
“Men leefde in de euforie welke de collectieve bemoeizucht van milieu- en andere groepen als een gezonde uiting van democratisch leven beschouwde en nog beschouwt, en begreep niet dat aldus de rechter ook tot arbiter werd gemaakt in beleidsgeschillen, welker beslissing een zelfbewust politiek gezag aan zich behoort te houden.”2
Daarmee maakte hij een belangrijke kanttekening bij algemeen belangacties: inhoudelijke discussies over het algemeen belang, de wijze waarop dat wordt behartigd en de invulling van beleid horen niet thuis bij bestuursrechter. Afwegingen inzake het algemeen belang en de vormgeving van beleid behoren plaats te vinden daar waar dat de bedoeling is, namelijk door volksvertegenwoordigende organen of door het democratisch gelegitimeerd bestuur zelf. De plaats van de bestuursrechter in de trias politica betekent dat hij slechts mag oordelen over de relevante juridische kaders van bestuurlijke besluitvorming. Daarop zullen de beroepen zich dan ook moeten richten.
Het argument van Donner is vaak herhaald. In de periode na de invoering van de Awb vroegen sommigen zich zelfs hardop af op welke manier algemeen belang-acties zijn te plaatsen in het concept van de democratische rechtsstaat. Veelzeggend is een in het jaar 2000 verschenen artikel, genaamd: “De kwadratuur van de algemeen belang-actie? Over de legitimiteit van algemeen belang-acties in democratisch-rechtsstatelijk en rechtsvergelijkend perspectief”.3 Vooral Teunissen heeft zich in dit verband bijzonder kritisch uitgelaten. Hij wijst voornamelijk op de democratische legitimatie van de bestuurlijke besluitvormingsprocedure, en beschouwt het kunnen voeren van algemeen belang-acties zelfs als een ongewenst privilege voor belangenorganisaties dat zou strijden met het democratisch-rechtsstatelijke gelijkheidsbeginsel.4
In het parlement is ook wel kritisch gerapporteerd over algemeen belang-acties.5 Daar werden dan vooral vraagtekens geplaatst bij deze acties vanuit het oogpunt van slagvaardig bestuur. Ook dat argument heeft oude papieren. Zo merkte Van Buuren in 1978 al op dat te veel beroepen van belangengroepen het besturen moeilijk kan maken, omdat overleg, inspraak en beroepsprocedures leiden tot stroperige besluitvorming.6
Een ander tegenargument dat vaak terugkomt is de onverenigbaarheid met individuele rechtsbescherming en definitieve geschilbeslechting en -oplossing als belangrijkste doelstellingen van de procedure bij de bestuursrechter.7 Voor algemeen belang-acties zou daarom vanuit een systematisch oogpunt geen plaats moeten zijn.
Vanuit deze kritische benaderingen is gedachtevorming op gang gekomen omtrent aanvullende voorwaarden voor algemeen belang-acties teneinde uitwassen van dergelijke beroepen te voorkomen. In dit verband is onder meer nagedacht over certificering van belangengroepen,8 waardoor alleen onder bepaalde voorwaarden een beroepsrecht bestaat. Gedacht kan worden aan minimale eisen omtrent inhoudelijke deskundigheid. Vaak wordt dan als voorbeeld gewezen op Duitsland, waar dergelijke certificering al langer bestaat. Meer in het bijzonder wordt in Nederland wel nagedacht over het stellen van specifieke eisen over de representativiteit van belangenorganisaties.9 Ongeacht hoe certificering of representativiteit concreet wordt ingevuld, is het in beide gevallen erom te doen het kaf van het koren te scheiden omdat de eis van rechtspersoonlijkheid en de eisen rondom statutaire doelstelling en feitelijke werkzaamheden daartoe te licht worden bevonden.
Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat de waardering van algemeen belang-acties, en de eisen die daaraan worden gesteld, sterk afhankelijk zijn van het perspectief van waaruit deze beroepen worden benaderd. Soms is dat perspectief tamelijk eenzijdig. Inmiddels is de discussie wat geluwd. Over het algemeen lijkt enige berusting te bestaan in de huidige vereisten voor het kunnen voeren van algemeen belang-acties.