Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/3.3.4.4
3.3.4.4 Uitgetreden vennoten
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS591609:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
W.L.P.A. Molengraaff, geciteerd door Wachter & Timmerman 1986, p. 735, in hun bespreking van Hof Den Bosch 19 mei 1983, NJ 1984/263(Gevers/Leasing Combinatie). Vgl. art. 6:144 lid 1 BW: Brengt de overdracht van een vordering mee dat verplichtingen die uit het schuldeiserschap of uit nevenrechten voortvloeien, overgaan op de nieuwe schuldeiser, dan staat de vorige schuldeiser in voor de nakoming van deze verplichtingen.
In deze zin ook Asser/Maeijer 5-V 1995/264; Assink | Slagter 2013, § 99.5, p. 2011; Huizink 2014, nr. 38; Tervoort 2015d, nr. 7.5.2.2, Mathey-Bal 2016, p. 155. Vgl. art. 6:144 lid 1 BW.
Een verhuurder die bijna drie jaar een huurschuld heeft laten oplopen, had eerder aan de bel mogen trekken. Van Vliet 1987, p. 292, met verwijzing naar Rb. Utrecht 3 oktober 1984, NJ 1985/730(Gebr. Van Bijsterveld).
Conclusie A-G Keus (sub 3.6) voor het Carlande-arrest. In deze zin ook (over huurovereenkomsten): Hof Arnhem-Leeuwarden 24 februari 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:1301; en Hof Arnhem-Leeuwarden 16 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4389(Van Dijk/ Trapezium). Anders: Van der Ploeg 1954. Zie ook Hof Amsterdam 23 juni 2015,ECLI:NL:GHAMS:2015:2551(Caravan), waarin een uitgetreden vennoot aansprakelijk werd gehouden voor een leenschuld die zou zijn ontstaan door omzetting, na zijn uittreden, van een investeringsovereenkomst over de niet-nakoming waarvan voorafgaand aan het uittreden al onenigheid bestond.
Kamerstukken II 2002-2003, 28 746, nr. 3, p. 43; en Kamerstukken II 20023-2004, 28 746, nr. 5, p. 22.
Ontwerp-Maeijer, art. 824 lid 1. Voor een oplossing in Duitse richting werd in 1936 al gepleit door Van Ophuijsen, zie Wiersma 1970, p. 100. In dezelfde richting: Tervoort 1999, p. 213.
Koster 2005 noemt de regeling in het Ontwerp-Maeijer onevenwichtig.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 19 lid 5, concept-MvT, p. 98/99.
Zie 2.4.2.1.
Werkgroep-Van Olffen 2016, concept-wetsvoorstel, art. 19 lid 5, laatste volzin.
Over de aansprakelijkheidspositie van een uitgetreden vennoot heeft de Hoge Raad zich niet uitgelaten. Molengraaff heeft ooit gezegd:1 “Het ware voor een vennoot wel gemakkelijk, indien hij aanvaarde verplichtingen van zich af kan wentelen, door uit te treden; Nederlands recht is dat niet.” Terecht wordt dit algemeen aanvaard. Men moet niet door uit een VOF te treden, kunnen ontsnappen aan verplichtingen jegens derden.2 De aansprakelijkheid zal voortduren totdat een regel van algemeen vermogensrecht, waaronder verjaringstermijnen of de redelijkheid en billijkheid (inclusief rechtsverwerking),3 daarin verandering brengt.
Dat een uitgetreden vennoot aansprakelijk blijft voor VOF-schulden die voorafgaand aan zijn uittreden zijn ontstaan, wordt algemeen aangenomen. Niet helemaal duidelijk is of een uitgetreden vennoot nog aansprakelijk wordt voor een VOF-schuld die pas na zijn uittreden ontstaat, maar voortvloeit uit een rechtsverhouding die voordien al bestond. Kan een ex-vennoot nog worden aangesproken voor gelden die na zijn uittreden worden getrokken onder een voordien door de VOF gesloten kredietovereenkomst? En stel, een VOF gaat een huurcontract voor bedrijfsruimte aan, terwijl X vennoot is of voordat X vennoot is geworden. Kan X nu persoonlijk door de verhuurder worden aangesproken voor de na zijn uittreden vervallende huurtermijnen? Door A-G Keus en in enkele hof-uitspraken worden deze vragen bevestigend beantwoord.4
Volgens het Ontwerp-Maeijer bleef de uitgetreden vennoot van een openbare vennootschap aansprakelijk voor vennootschapsschulden die voorafgaand aan zijn uittreden waren ontstaan. De uitgetreden vennoot werd niet aansprakelijk voor nieuwe schulden uit oude rechtsverhoudingen, zoals nieuwe termijnen uit oude duurovereenkomsten, behalve als hij mede pro se voor de duurovereenkomst was verbonden.5 Wanneer dit laatste naar de bedoeling van het ontwerp het geval was, is niet duidelijk. Verder bevatte dit ontwerp voor de openbare vennootschap een op de Duitse regeling geïnspireerde oplossing. Een rechtsvordering tegen een uitgetreden vennoot of diens erfgenaam tot nakoming van ten tijde van zijn uittreden opeisbare verbintenissen van de openbare vennootschap zou uiterlijk vijf jaar na uittreden (en uitschrijving uit het handelsregister) verjaren. Voor bij uittreden al wel bestaande, maar nog niet opeisbare verbintenissen van de vennootschap gold eveneens een verjaringstermijn van vijf jaar, maar deze nam pas een aanvang bij opeisbaar worden.6
Per saldo week de regeling uit het Ontwerp-Maeijer op twee punten wezenlijk af van het Duitse voorbeeld. In de Duitse regeling start de verjaringstermijn steeds op het moment waarop het uittreden bekend is gemaakt, ook als de vordering op de vennootschap nog niet opeisbaar is. Daarnaast geldt de Duitse restaansprakelijkheid mede voor nieuwe schulden van de vennootschap uit oude rechtsverhoudingen. Op het eerste punt was het Ontwerp-Maeijer strenger voor de uitgetreden vennoot, op het tweede punt een stuk soepeler.7
Het voorstel van de werkgroep-Van Olffen voor de openbare vennootschap komt grotendeels overeen met het Ontwerp-Maeijer. De werkgroep neemt tot uitgangspunt dat een vennoot na zijn uittreden aansprakelijk blijft voor oude vennootschapsschulden. Of een uitgetreden vennoot nog aansprakelijk wordt voor nieuwe termijnen uit een oude duurovereenkomst, stelt de werkgroep afhankelijk van de partijbedoeling. Daarnaast is de uitgetreden vennoot in dit voorstel bevoegd om zijn rechtsverhouding met de wederpartij onder een door de vennootschap gesloten duurovereenkomst door opzegging te beëindigen.8 Dit laatste houdt verband met de m.i. onjuiste aanname van de werkgroep dat vennoten persoonlijk mede-partij zijn bij in naam van een vennootschap-rechtssubject gesloten overeenkomsten.9 Hoe dan ook, net als het Ontwerp-Maeijer wil de werkgroep de restaansprakelijkheid van de uitgetreden vennoot beperken tot vijf jaar, te rekenen vanaf de inschrijving van het uittreden in het handelsregister. De werkgroep voegt hieraan toe: “Ontstaat een rechtsvordering na die inschrijving, dan begint op dat tijdstip die verjaringstermijn te lopen”.10 Hier knoopt de werkgroep dus aan bij het ontstaansmoment van de rechtsvordering. Dit is het moment waarop het vorderingsrecht opeisbaar wordt.
Ik zou het iets anders willen benaderen dan de werkgroep-Van Olffen. In mijn benadering staat voorop dat vennotenaansprakelijkheid bij de VOF een wettelijk karakter heeft. Tot op zekere hoogte staat het de wetgever daarom vrij om de restaansprakelijkheid van de uitgetreden vennoot te beperken. De wetgever heeft dat niet gedaan en het argument dat een vennoot niet door uit te treden aan aansprakelijkheid moet kunnen ontsnappen, vind ik overtuigend. Dit geldt voor bij uittreden bestaande vennootschapsschulden én voor nadien nog opkomende schulden die voortvloeien uit bij uittreden al bestaande rechtsverhoudingen. Ik sluit mij daarom aan bij A-G Keus en de genoemde hof-uitspraken. Met een wederpartij kan vanzelfsprekend anders worden afgesproken. Verder kan, naar komend recht, gedacht worden aan een beperking van de restaansprakelijkheid van vijf jaar na inschrijving van het uittreden in het handelsregister. In deze ‘Duitse’ oplossing wordt de uitgetreden vennoot nog aansprakelijk voor schulden die tot vijf jaar na uittreden ontstaan, maar hun grondslag vinden in voordien ten name van de VOF staande rechtsposities. Met een zekere vertraging die misbruik helpt voorkomen en gelegenheid laat voor stuiting, moet de wederpartij aanvaarden dat de VOF een groep is waarvan de samenstelling van tijd tot tijd kan wijzigen. De wederpartij geniet zo niet alleen de voordelen van dergelijke wijzigingen in de vorm van de aansprakelijkheid van nieuwe vennoten voor oude schulden, maar – met de gegeven vertraging – ook de nadelen.