Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.4.3.1
4.2.4.3.1 Richtlijn(historie)
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291516:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ook Van Zadelhoff meent dat de toevoeging van dit woord geen verruiming betekent, maar baseert dat op het ongewijzigde uitganspunt van de leveringsgelijkstelling dat de eigendom uiteindelijk overgaat (B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss.), Deventer: FED 1992, p. 164).
A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (Ars Notariatus nr. 120), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 437 duidt huurkoop als een vorm van economische eigendom.
Vgl. Toelichting op art. 5 lid 2 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 753. In gelijke zin: M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 123.
A. van Dongen e.a., Omzetbelasting (Fiscaal commentaar), Deventer: Kluwer 2003, p. 42.
MvA, Kamerstukken II, 9324, 9410, nr. 6, p. 61.
In soortgelijke zin: P. Berkhuizen en J.C. van Straaten, ‘Huurkoop van onroerende zaken - Overdrachtsbelasting - Omzetbelasting', FBN 2017/12-49.
Op grond van art. 14 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn wordt met een levering gelijkgesteld: de afgifte van een goed ingevolge een overeenkomst volgens welke een goed gedurende een bepaalde periode in huur wordt gegeven of ingevolge een overeenkomst tot koop en verkoop op afbetaling, in beide gevallen onder het beding dat normaal (in art. 5 lid 4, onderdeel b Zesde Richtlijn: normaliter) het goed uiterlijk bij de betaling van de laatste termijn in eigendom wordt verkregen. Deze leveringsgelijkstelling was reeds te vinden in art. 5 lid 2, onderdeel a Tweede Richtlijn en is in art. 5 lid 4, onderdeel b Zesde Richtlijn gehandhaafd met dien verstande dat in art. 5 lid 2, onderdeel a Tweede Richtlijn het woord normaal of normaliter ontbrak. In de richtlijnhistorie, de vergaderstukken inzake de totstandkoming van de Zesde Richtlijn daaronder begrepen, is niets te vinden dat erop wijst dat met de toevoeging van het woord ‘normaal’ of ‘normaliter’ een materiële wijziging is beoogd.1 Uit een vergelijking met art. 3 lid 2, onderdeel a Voorstel voor een tweede richtlijn blijkt dat de leveringsgelijkstelling aanvankelijk was beperkt tot huurkoop, maar door de lidstaten is uitgebreid tot de koop op afbetaling wanneer dit onder het beding plaatsvindt dat de eigendom uiterlijk bij de betaling van de laatste termijn in eigendom wordt verkregen.
Uit de toelichting op art. 5 lid 2, onderdeel a Tweede Richtlijn in bijlage A van de Tweede Richtlijn blijkt dat deze leveringsgelijkstelling voorkomt dat deze overeenkomsten worden gesplitst in een huurovereenkomst en een koopovereenkomst door deze overeenkomst vanaf haar totstandkoming te beschouwen als een overeenkomst ter zake van een levering. Door deze leveringsgelijkstelling is niet pas bij de eigendomsoverdracht van het goed – uiterlijk bij betaling van de laatste termijn – sprake van een levering van een goed, maar reeds op het tijdstip van de afgifte van het goed. Anders gezegd: door de leveringsgelijkstelling vindt de levering van het goed bij huurkoop niet plaats op het moment van de juridische, maar op het moment van de economische eigendomsoverdracht2. Hieruit is af te leiden dat de ratio van art. 14 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn is gelegen in de concurrentieneutraliteit op grond waarvan handelingen die economisch gezien gelijkwaardig zijn aan de overdracht van de eigendom hetzelfde moeten worden behandeld.3
Uit art. 14 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn kan niet worden afgeleid wat de btw-consequenties zijn van de eigendomsoverdracht aan het einde van de looptijd.4 In de Nederlandse parlementaire geschiedenis is aangegeven dat deze juridische eigendomsoverdracht aan het einde van de ‘rit’ niet als een levering kwalificeert.5 Dit komt mij juist voor, aangezien de afgifte van het goed aan de (huur)koper op basis van de overeenkomst tot koop op afbetaling of huurkoop reeds als een levering aan de (huur)koper is aangemerkt. Het nogmaals leveren van hetzelfde goed aan dezelfde persoon op basis van dezelfde overeenkomst zou naar mijn mening iedere logica ontberen.6 Uit de richtlijnhistorie en de strekking van deze leveringsgelijkstelling volgt immers dat de leveringsgelijkstelling in art. 14 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn ervoor zorgt dat het leveringsmoment naar voren wordt gehaald en niet dat een extra levering wordt gecreëerd.