Einde inhoudsopgave
Open normen in het Europees consumentenrecht (R&P nr. CR4) 2011/7.2.3
7.2.3 Open geformuleerde normen en toepasselijkheidsvoorwaarden
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon, datum 31-08-2011
- Datum
31-08-2011
- Auteur
mr.drs. C.M.D.S. Pavillon
- JCDI
JCDI:ADS498439:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het toepassingsbereik van de richtlijn wordt voorts bepaald door de vele in de considerans en art. 3 richtlijn gemaakte uitzonderingen. Deze uitzonderingen zijn soms ook ruim geformuleerd: praktijken die de keuzevrijheid niet beperken kunnen volgens ov. 7 considerans nog wel op basis van nationale regels inzake 'smaak en fatsoen' worden verboden.
Art. 2 onder d richtlijn luidt: 'handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten (...): iedere handeling, omissie, gedraging, voorstelling van zaken of commerciële communicatie, met inbegrip van reclame en marketing, van een handelaar, die rechtstreeks verband houdt met de verkoopbevordering, verkoop of levering van een product aan consumenten.' Het Europese begrip 'consument' wordt in par. 2.3.4 besproken.
HvJ EG 23 april 2009, nr. C-261/07 en C-299/07, Jur. 2009, p. 1-2949, r.o. 44-47 (Y7B-VAB en Galarea).
V7B-VAB en Galarea, r.o. 49.
412. De algemene norm uit art. 5 richtlijn en haar criteria zijn open geformuleerd. Hoewel de subnormen en de lijst verder zijn uitgewerkt, bevatten ook zij voor verschillende interpretaties vatbare begrippen. Het tweede deel van dit onderzoek concentreert zich op de mate waarin de gelaagde open oneerlijkheidsnorm uit de Richtlijn OHP zich laat harmoniseren in de praktijk. Alvorens over te gaan tot de bespreking van de oneerlijkheidsnorm sta ik kort stil bij haar toepassingsgebied, althans bij mogelijke onduidelijkheden omtrent de vaststelling hiervan.
Volgens art. 3 lid 1 is de Richtlijn OHP 'van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële transactie met betrekking tot een product'.1 Het begrip 'handelspraktijk' is dermate breed gedefinieerd dat niet eenvoudig is vast te stellen wat hieronder valt.2 Het begrip kan zeer eng worden opgevat, zo blijkt uit het arrest VTB-VAB, waarin het gelijknamige bedrijf; de Belgische en de Franse regering betoogden dat een gezamenlijke aanbieding geen handelspraktijk zou vormen.3 In het verlengde van een strikte uitleg van het begrip 'handelspraktijk', zou voorts uit art. 3 lid 1 volgen dat de richtlijn slechts die handelspraktijken bestrijdt, die art. 5 als oneerlijk aanmerkt, de regulering van andere praktijken aan de lidstaten overlatend. Omdat de harmonisatie door deze lezing van art. 3 lid 1 in gevaar komt, schrijft het HvJ een ruime uitleg van het begrip 'handelspraktijk' en van art. 3 lid 1 voor.4 Uit het VTB-VAB-arrest blijkt dat voor het Hof een belangrijke taak is weggelegd om uitlegverschillen tegen te gaan. De sturende rol van het Hof wordt besproken in par. 7.9.3.
Bij het onderzoek naar de Richtlijn OB bleek de uitleg van de centrale norm nauw verweven met sommige toepasselijkheidsvoorwaarden (par. 6.2.1). Dit is ook bij de Richtlijn OHP het geval. Het is zelfs zo dat bij de uitleg van de hoofden subnormen aansluiting moet worden gezocht bij art. 3 lid 1. Waar art. 3 de uitleg van een criterium (mede) bepaalt, zal dit bij de bespreking van dat criterium aan de orde komen. Zo vergt de toepasselijkheid van de oneerlijkheidstoets op postcontractuele praktijken een ruime uitleg van het besluitcriterium uit de hoofden subnormen (par. 7.3.5).