Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.6.3:3.3.6.3 Verhouding tot art. 185 Btw-richtlijn
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.6.3
3.3.6.3 Verhouding tot art. 185 Btw-richtlijn
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS494227:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover nader paragraaf 7.2.2. De reikwijdte van de bepaling komt aan bod in paragraaf 5.3.4.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wanneer een lidstaat de keuze heeft gemaakt om gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid van art. 90 lid 2 Btw-richtlijn door in het geheel geen herziening c.q. vermindering van de maatstaf van heffing toe te staan, dan vergt het neutraliteitsbeginsel naar mijn mening dat deze ratio ook dient te gelden daar waar het de toepassing van art. 185 Btw-richtlijn betreft, door bij de afnemer evenmin een correctie voor te schrijven, hetgeen onder art. 185 Btw-richtlijn naar mijn idee het uitgangspunt is (art. 185 lid 2 eerste alinea).1 Een voorbeeld ter illustratie, met wederom eerst de uitgangssituatie (rekening houdend met een btw-percentage van 20):
Voorbeeld 3.9
Verkoop
Verschuldigde btw (A)
Verkoopfactuur
Inkoop
Te vorderen btw (B)
Inkoopfactuur
Afdracht (A-B)
A
100
20
120
0
0
0
20
B
250
50
300
100
20
120
30
C
300
60
360
250
50
300
10
D
350
70
420
300
60
360
10
E
0
0
420
0
Totale btw-afdracht:
70
Fabrikant A levert goederen voor 100 aan groothandelaar B, die op zijn beurt de goederen voor 250 levert aan tussenhandelaar C. C levert vervolgens voor 300 door aan detaillist D, waarop D de goederen uiteindelijk voor 350 (exclusief btw) levert aan eindverbruiker E. C is echter niet in staat om B te betalen. Op grond van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn zou B de maatstaf van heffing kunnen verlagen en de Belastingdienst kunnen verzoeken om een teruggaaf van btw. Als bij C vervolgens de aftrek dienovereenkomstig wordt gecorrigeerd (art. 185 lid 2 tweede alinea Btw-richtlijn), dan wordt het neutraliteitsbeginsel gerespecteerd: de btw vormt geen last voor ondernemers en de btw-druk in de bedrijfskolom is gelijk aan de btw die uiteindelijk op de factuur aan de consument staat vermeld. Schematisch ziet dit er dan als volgt uit:
Verkoop
Verschuldigde btw (A)
Verkoopfactuur
Inkoop
Te vorderen btw (B)
Inkoopfactuur
Afdracht (A-B)
A
100
20
120
0
0
0
20
B
250
50-50
300
100
20
120
-20
C
300
60
360
250
50-50
300
60
D
350
70
420
300
60
360
10
E
0
0
420
0
Totale btw-afdracht:
70
Als nu op grond van art. 90 lid 2 Btw-richtlijn bij niet-betaling geen verlaging van de maatstaf van heffing wordt toegestaan, maar er wel een correctie plaatsvindt bij de afnemer, dan heeft dit tot gevolg dat de Belastingdienst (substantieel) meer int dan is toegestaan. Dit is strijdig met het neutraliteitsbeginsel. Schematisch ziet dat er dan als volgt uit:
Verkoop
Verschuldigde btw (A)
Verkoopfactuur
Inkoop
Te vorderen btw (B)
Inkoopfactuur
Afdracht (A-B)
A
100
20
120
0
0
0
20
B
250
50
300
100
20
120
30
C
300
60
360
250
50-50
300
60
D
350
70
420
300
60
360
10
E
0
0
420
0
Totale btw-afdracht:
120
Over het effect van niet-betaling in de bedrijfskolom en de vraag of toepassing van de afwijkingsbepaling van art. 90 lid 2 Btw-richtlijn met het oog op het neutraliteitsbeginsel vereist dat een compenserende regeling aan de zijde van de afnemer van toepassing is, kom ik later (hoofdstuk 7) nog uitvoerig te spreken.