Einde inhoudsopgave
De enquêtegerechtigden bij de NV en de BV (VDHI nr. 153) 2018/10.5.3.3.6
10.5.3.3.6 Maatschappelijk belang
mr. K. Spruitenburg, datum 01-08-2018
- Datum
01-08-2018
- Auteur
mr. K. Spruitenburg
- JCDI
JCDI:ADS373452:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie art. 2:129 lid 5 (NV) en art. 2:239 lid 5 BW (BV). Voor de commissarissen geldt dezelfde norm, zie art. 2:140 lid 2 BW (NV) en art. 2:250 lid 2 BW (BV).
HR 4 april 2014, JOR 2014/290 (Cancun), ro. 4.2.1.
Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* (2009), nr. 22.
Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman (2013), p. 29.
Zie uitgebreid hierover Bulten, De Jong, e.a. (2017), p. 69-74.
Zie Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman (2013), p. 30 en Asser/Maeijer 2-III (2000), nr. 293.
Aldus Van Schilfgaarde/Winter/Wezeman (2013), p. 30.
De Meijer (2010), p. 531, 533.
Het openbaar belang kan ook een rol spelen bij ondernemingen die bepaalde producten vervaardigen of diensten aanbieden die voor de samenleving belangrijk of nuttig zijn. Hierbij kan men denken aan nutsvoorzieningen, zoals gas, water en energie. Denkbaar is voorts dat het behoud van de Nederlandse nationaliteit van ondernemingen die voorzieningen als openbaar vervoer, telefonie, internet en de post in handen hebben, een reden van openbaar belang kan opleveren. De vraag is hoe het openbaar belang zich in dergelijke situaties moet manifesteren om een enquête te rechtvaardigen. Het verkopen of verplaatsen van een onderneming leidt immers niet zomaar tot de conclusie dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken. Een vraag die hierbij opkomt, is of het algemeen belang (of: maatschappelijk belang) onderdeel is of kan zijn van het vennootschappelijk belang.
Voor de bestuurders van een BV of NV geldt ‘het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming’ als norm bij het vervullen van hun bestuurstaak.1 In de Cancun-beschikking zegt de Hoge Raad over die norm het volgende:
“Bij de vervulling van hun taak dienen de bestuurders zich naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te richten (vgl. thans art. 2:239 lid 5 BW). Wat dat belang inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval.Indien aan de vennootschap een onderneming is verbonden, wordt het vennootschapsbelang in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming.”2
Met deze overweging maakt de Hoge Raad duidelijk dat alle omstandigheden van het geval een rol spelen bij de vaststelling van de inhoud van het vennootschapsbelang. Dat belang wordt volgens ons hoogste rechtscollege vooral bepaald door het belang van de onderneming.
In het rechtspersonenrecht is aan de factor algemeen belang zoals gezegd geen uitdrukkelijke plaats toegekend. De achtergrond daarvan is dat ondernemingen vrij behoren te zijn binnen de speelruimte welke haar door het overheidsbeleid is gegeven, tenzij er sprake zou zijn van werkelijke misstanden.3 De verantwoordelijkheid voor hetgeen dat begrepen kan worden onder het algemeen belang, ligt aldus niet primair bij de vennootschap. Toch dient de vennootschap daarmee wel rekening te houden. Voor iedere vennootschap en de met haar verbonden onderneming geldt dat zij in een open verbinding staat met de maatschappij waarin zij functioneert. Gelet op deze verbinding heerst in de politiek en de literatuur de gedachte dat de vennootschap zich mede moet richten naar het algemeen belang.4 Met name bij grote (beurs)ondernemingen, die door hun activiteiten een belangrijke invloed hebben op het algemeen belang (bijv. omdat het activiteiten ontplooit in een van de vitale sectoren of die gericht zijn op het behartigen van een bepaald publiek belang), spreekt een dergelijke gedachte aan.5 Als norm voor het handelen van een ondernemer wordt derhalve aanvaard dat hij mede de belangen buiten de eigen organisatie in het oog houdt. Hierbij kan men denken aan crediteuren, toeleveranciers, de consument, maar ook aan de belangen van een streek of een land, en onder omstandigheden meer abstracte belangen zoals die van volkshuisvesting, werkgelegenheid, milieu, de gewenste sociale of maatschappelijke ontwikkeling en het behoud van de nationale identiteit.6
Daartegenover staat dat de ‘maatschappelijk aspecten’ van ondernemen nog niet duidelijk zijn afgebakend, waardoor grote terughoudendheid gepast is bij de toetsing daarvan aan normen als de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW, een behoorlijke taakvervulling van art. 2:9 BW, de gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken in art. 2:350 BW en het wanbeleid van art. 2:355 BW.7 Dit neemt mijns inziens niet weg dat het bestuur bij de uitoefening van zijn taak een redelijke en billijke belangenafweging moet maken waarbij in ieder geval de buitenvennootschappelijke belangen, die door het doen en laten van de vennootschap merkbaar worden beïnvloed, worden meewogen. Gebeurt dat laatste niet, dan kan de A-G daartegen naar mijn mening ageren met zijn enquêtebevoegdheid, mits sprake is van een openbaar belang. Ook De Meijer is van mening dat er voor het OM vanuit het perspectief van de civiele taakopvatting een rol is weggelegd bij de bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO). De ontstaansgeschiedenis en de ontwikkeling van de civiele bevoegdheden van het OM laten volgens haar zien dat er sprake is van een overgang van de bestrijding van misbruik van rechtspersonen naar de bevordering van MVO. Het algemeen belangcriterium bevat namelijk mede MVO. Een toezichthoudende rol op MVO-bevorderend of bestrijding van MVO-normoverschrijdend gedrag lijkt het OM dan ook op het lijf geschreven, aldus De Meijer.8