Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht
Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/2.2:2.2 Definitie van de Obliegenheit
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/2.2
2.2 Definitie van de Obliegenheit
Documentgegevens:
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973669:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie Schmidt 1953.
Wolf/Neuner 2012, p. 210.
Zie de omschrijving van het woord Obliegenheit in Duden, de Duitse Van Dale: www.duden.de/rechtschreibung/Obliegenheit (laatst geraadpleegd 6 oktober 2023).
HR 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU9855, NJ 2012/144 (Mooijman/WLTO), r.o. 3.7.
Hofmann/van Opstall 1976, p. 49, spreekt van rechtsdrang; Schut 1984, p. 71-77 heeft het over quasiverplichting of rechtsplicht; Smits 2003/12 noemt de term ‘gehoudenheid’; Van der Wiel 2004, p. 11-12, spreekt van een last.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het begrip Obliegenheit kent zijn oorsprong in Duitsland. Het begrip is daar vooral in het kader van het verzekeringsrecht ontwikkeld en dankt zijn betekenis in belangrijke mate aan het werk van Reimer Schmidt uit de jaren 50 van de vorige eeuw.1 Geïnspireerd door Schmidt omschrijft Neuner het fenomeen aldus:
“Obliegenheiten sind Verhaltensanforderungen, zu deren Erfüllung man nicht gezwungen werden kann, deren Beachtung aber im eigenen Interesse liegt, um sonst eintretende Nachteile zu vermeiden.”2
Taalkundig betekent Obliegenheit in het Duits zoiets als ‘Pflicht’ (plicht) of ‘Aufgabe’ (taak of opdracht).3 ‘Verhaltensanforderung’ betekent in het Nederlands zoveel als ‘gedragsnorm’. Het begrip Obliegenheit kan dus worden geduid als een niet-afdwingbare gedragsnorm, waarvan de schending niet leidt tot schadeplichtigheid, maar slechts tot een beperking van eigen rechten van de schender.
Aan deze definitie vallen drie dingen op. Ten eerste wordt in het midden gelaten of een Obliegenheit een op zichzelf staande rechtsfiguur is of als rechtsplicht of verbintenis moet worden beschouwd. Ook het Duitse recht kent immers de figuren van rechtsplicht en verbintenis. Ten tweede volgt uit de hiervoor weergegeven definitie dat een Obliegenheit niet-afdwingbaar is. Ten derde geldt dat handelen in overeenstemming met een Obliegenheit in het belang is van de Obliegende, de verplichte. Hij kan daarmee voor hem intredende nadelen vermijden die gekoppeld zijn aan schending van de betreffende Obliegenheit. Daaruit vloeit voort dat schending van een Obliegenheit slechts nadelig zou zijn voor de verplichte en de benadeelde zelf geen aanspraken oplevert.
Deze definitie sluit aan bij de begripsvorming omtrent Obliegenheiten in het Nederlandse recht. In Nederland wordt vaak gebruikgemaakt van het Duitse woord. Zo heeft de Minister van Justitie zich, in de context van het verzekeringsrecht, in de parlementaire geschiedenis bediend van het woord Obliegenheit. Hij definieert dat begrip aan de hand van dezelfde kenmerken die uit de definitie van Neuner voortvloeien:
“Met de aan de Duitse doctrine ontleende term Obliegenheit wordt hier gedoeld op een gehoudenheid waarbij – anders dan bij een verplichting, waarvan in beginsel de nakoming kan worden gevorderd en die in geval van niet-nakoming degene die daardoor schade lijdt recht geeft op schadevergoeding – niet-inachtneming leidt tot vermindering of verval van de eigen rechten van degene op wie de Obliegenheit rust.”4
De minister gebuikt naast het woord Obliegenheit het Nederlandse woord gehoudenheid. Dat woord wordt ook gebruikt door de Hoge Raad. De Hoge Raad gebruikt daarnaast het woord verplichting tussen dubbele aanhalingstekens. De Hoge Raad overweegt bovendien dat deze verplichting uit de redelijkheid en billijkheid voortvloeit:
“De door het hof aanvaarde informatieplicht (…) betreft een, uit de redelijkheid en billijkheid in verband met de aard van de onderhavige overeenkomst en de omstandigheden van het geval voortvloeiende, gehoudenheid van [eiser] c.s. (als opdrachtgevers) om [betrokkene 1] te informeren dat in hun geval, anders dan in de meerderheid van de gevallen, over de levering van melkquota omzetbelasting moest worden afgedragen. Het nalaten aan deze ‘verplichting’ te voldoen levert geen tekortkoming van [eiser] c.s. op, maar kan wel tot gevolg hebben dat zij op grond van schuldeisersverzuim of het bepaalde in art. 6:101 BW de nadelige gevolgen van dat nalaten geheel of ten dele zelf te dragen hebben.”5
Het Duitse begrip wordt in de Nederlandse literatuur ook wel vertaald met termen als ‘rechtsdrang’, ‘last’, ‘gehoudenheid’, ‘oneigenlijke plicht’, ‘quasiverplichting’ of ‘quasirechtsplicht’.6 Grosso modo komt de aan deze begrippen toegekende betekenis overeen met de door Neuner gegeven definitie van de Obliegenheit. Ook in de hiervoor weergegeven citaten van de minister en de Hoge Raad zijn de kenmerken die aan Neuners definitie kunnen worden ontleend terug te vinden.
Ik bespreek deze kenmerken van de Obliegenheit hierna in par. 2.5 in de context van verschillende rechtsfiguren, waaraan zowel naar Nederlands als Duits recht een Obliegenheit-karakter wordt toegedicht. Eerst is het echter van belang om te onderzoeken of de Obliegenheit een zelfstandige rechtsfiguur vormt naast de rechtsplicht en de verbintenis (par. 2.3 hierna) en of er een algemene ratio voor het bestaan van het fenomeen Obliegenheit kan worden gegeven (par. 2.4 hierna).