Einde inhoudsopgave
Rechtsverwerking en klachtplichten in het verbintenissenrecht (R&P nr. CA28) 2024/2.3
2.3 De Obliegenheit als zelfstandige figuur naast rechtsplicht en verbintenis?
H. Boom, datum 28-06-2024
- Datum
28-06-2024
- Auteur
H. Boom
- JCDI
JCDI:ADS973623:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Idem.
Asser/Sieburgh 6-I 2020/11; Asser/Hijma 7-I 2019/488; Vranken 1986, p. 423 e.v.; Vranken 1989, p. 197 e.v.; Wessels 1988, p. 79 e.v.; Smits 2003/12; Van der Wiel 2004, p. 11-12; Krans & Wissink 2022/11 en Schut 1984, p. 74; Tjittes & Boom, Rechtsverwerking en klachtplichten (Mon. BW nr. A6b) 2020/19.
Zie Van der Wiel 2004, p. 11-12.
Von Staudinger 2015, par. 241 BGB, nr. 123; Fikentscher & Heinemann 2018, par. 8 onder 5, par. 16, II 2.
Esser/Schmidt 2019, par. 28 5 e; Larenz 2012 par. 12 II d; Fikentscher & Heinemann 2018, par. 8 onder 5, par. 16, II 2.
Esser/Schmidt 2019, par. 28 5 e; Larenz 2012 par. 12 II d; Fikentscher & Heinemann 2018, par. 8 onder 5, par. 16, II 2.
Von Staudinger 2015, par. 241 BGB, nr. 130.
Esser/Schmidt 2019, par. 6 VI 2; Looschelders 1995, 229; Von Staudinger 2015, par. 241 BGB, nr. 123.
Von Staudinger 2015, par. 241 BGB, nr. 129; Esser/Schmidt 2019, par. 28 5.
Zie Fikentscher & Heinemann, 2018 par. 8 onder 5, par. 16, II 2.
De centrale kenmerken van de Obliegenheit zijn op basis van de in de vorige paragraaf gegeven definitie dat deze plicht 1) niet-afdwingbaar is; 2) schending ervan slechts in een beperking van de schuldeisersrechten resulteert en 3) sprake moet zijn van een rechtsverhouding die door de redelijkheid en billijkheid wordt beheerst. Deze definitie roept de vraag op of de Obliegenheit als een zelfstandige figuur naast de rechtsplicht en verbintenis kan worden gezien.
De hiervoor gegeven definitie van de Obliegenheit suggereert van wel. De eerste twee kenmerken onderscheiden zich duidelijk van de rechtsplicht en de verbintenis. Rechtsplichten en verbintenissen zijn naar hun aard afdwingbaar door de wederpartij.1 Bovendien kan schending of niet-nakoming ervan resulteren in een schadevergoedingsvordering op grond van een onrechtmatige daad (art. 6:162 BW) of een tekortkoming (art. 6:74 BW).2 Zowel een rechtsplicht als een verbintenis zijn onderdeel van een rechtsverhouding die door de redelijkheid en billijkheid worden beheerst. In zoverre is er geen verschil tussen de Obliegenheit enerzijds en rechtsplichten en verbintenissen anderzijds.
Op basis van de twee hiervoor genoemde verschillen tussen de Obliegenheit enerzijds en rechtsplicht en verbintenis anderzijds gaat men in de Nederlandse literatuur inderdaad uit van de opvatting dat de Obliegenheit een zelfstandige figuur is naast de rechtsplicht en de verbintenis.3 Handelen in strijd met een Obliegenheit is, in tegenstelling tot handelen in strijd met een rechtsplicht, in beginsel rechtens geoorloofd en vormt als zodanig geen onrechtmatige daad. Tegenover de Obliegenheit staat bovendien ook geen aanspraak op conform gedrag van de wederpartij in de rechtsverhouding waarvan de concrete Obliegenheit deel uitmaakt. Er is met andere woorden geen corresponderend subjectief recht. Van een verbintenis zou om die reden evenmin sprake kunnen zijn.4
Men is het er in de Duitse literatuur over eens dat Obliegenheiten naar hun aard niet-afdwingbaar zijn.5 De meeste Duitse auteurs stellen dat het de ‘Obliegende’ op zich vrijstaat om in strijd met de op hem rustende plicht te handelen, maar dat dat wel consequenties heeft voor zijn eigen rechtspositie. Hij vervult deze plicht dan ook in zijn eigen belang, aldus een aantal Duitse schrijvers.6 Zij spreken in lijn daarmee van een ‘Pflicht gegen sich selbst’.7 Anderen betogen daarentegen dat Obliegenheiten niet alleen gelden in het belang van de ‘Obliegende’, maar daarnaast ook in het belang van degene jegens wie de Obliegenheit in acht moet worden genomen.8 Daarnaast is men van oordeel dat de sanctie op schending van een Obliegenheit naar zijn aard in beginsel slechts bestaat in een beperking van eigen rechten van de ‘Obliegende’.9 Niettemin wordt door enkele gezaghebbende auteurs gesuggereerd dat dit kenmerk van de Obliegenheit moet worden gerelativeerd, omdat een gedraging die als schending van een Obliegenheit moet worden aangemerkt onder omstandigheden ook, bij wijze van samenloop, schadeplichtigheid kan opleveren.10 Ook wordt aangenomen dat een Obliegenheit op grond van partijwil of de werking van de redelijkheid en billijkheid (par. 242 BGB) tot een rechtsplicht/verbintenis kan verworden.11
Voor het leerstuk rechtsverwerking en de wettelijke klachtplichten betekent het voorgaande, uitgaande van het feit dat de plicht voor de schuldeiser die uit deze leerstukken voortvloeit als Obliegenheit moet worden gezien, dat de schuldenaar daarvan geen nakoming zou kunnen afdwingen. Ook zou schending van deze plichten niet in schadeplichtigheid van de schuldeiser resulteren.