Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/4.1
4.1 Inleiding
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS714015:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Ook ten aanzien van het strafrechtelijk daderschap van de rechtspersoon wordt dit onderscheid gemaakt: Schaap 2022, p. 83, 86-87. Dit ziet echter op iets anders dan op de orgaanleer, omdat die nog wel uitgaat van een fysieke gedraging van een functionaris, alhoewel die gedraging vervolgens wel wordt ‘weggedacht’.
Par. 4.2.2. Vgl. De Valk 2009, p. 534, die niet spreekt over direct daderschap, maar (in navolging van de strafrechtelijke literatuur) over ‘rechtstreeks daderschap’.
Brodie, OJLS 2007, p. 493-508.
Uit hoofdstuk 3 volgt dat het juridisch daderschap van rechtspersonen wordt geconstrueerd aan de hand van het zogenaamde Babbel-criterium en dat het juridisch daderschap van de rechtspersoon te onderscheiden is van het juridisch daderschap van de individuen binnen de rechtspersoon. Voor het vaststellen van het juridisch daderschap van de rechtspersoon dient niet te worden aangeknoopt bij het juridisch daderschap van de ondergeschikte. De vraag resteert of de rechter voor het vaststellen van het juridisch daderschap van de rechtspersoon nog wel moet aanknopen bij de feitelijke handelingen van functionarissen binnen de rechtspersoon. Ik noem deze wijze van vaststellen van het daderschap: indirect daderschap. In het vorige hoofdstuk is hier impliciet van uitgegaan, maar dit is geen vanzelfsprekendheid. Tegenover het indirect daderschap staat het direct daderschap. Dat houdt in dat de rechter het daderschap van de rechtspersoon vaststelt zonder acht te slaan op de individualiseerbare gedragingen van functionarissen binnen de rechtspersoon.1 De centrale vraag in dit hoofdstuk is of het daderschap van de rechtspersoon op directe wijze kan worden geconstrueerd.
De beantwoording van deze vraag heeft praktisch belang. De rechter moet weten hoe hij het daderschap van de rechtspersoon kan vormgeven. In veel gevallen zal toepassing van het Babbel-criterium volstaan. Toch zijn er gevallen aan te wijzen waarin het Babbel-criterium niet goed lijkt te passen, zoals in gevallen van arbeidsdeling en ‘structurele fouten’.2 Schade is dan het gevolg van een handeling die niet goed is terug te leiden tot individueel menselijk handelen. De vraag is of het daderschap van de rechtspersoon in die gevallen niet op andere wijze kan worden geconstrueerd. Het belang van de beantwoording van deze vraag is toegenomen door de groeiende complexiteit van organisaties.3
De indeling is als volgt. In paragraaf 4.2 wordt het indirect en direct daderschap nader gedefinieerd. Paragraaf 4.3 onderzoekt of in de rechtspraak van de Hoge Raad het daderschap op indirecte of op directe wijze wordt vastgesteld. Paragraaf 4.4 behandelt de belangrijkste opvattingen in de literatuur. Paragraaf 4.5 bevat een tussenconclusie. In de paragrafen 4.6 en 4.7 worden achtereenvolgens het Duitse recht en art. 4:202Principles of European Tort Law behandeld, en wordt onderzocht of lessen kunnen worden getrokken uit deze rechtsbronnen. Paragraaf 4.8 geeft mijn eigen opvatting weer.