Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/VII.5.4
VII.5.4 Gestrande uitstootpogingen
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS373744:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Hof Den Bosch 18 juli 2002, JOR 2002/202 (HenZon).
De gedragingen van Zon zagen onder meer op het 'doorschuiven van duur personeel naar de BV', de niet-marktconforme tarieven die Zon aan de BV dicteerde, de wijze van (vooraf) factureren, alsook de hoge huur die Zon aan HenZon in rekening bracht.
Zie ro. 4.5. Zon vorderde eveneens de schorsing van Hendriks als (statutair) bestuurder onder gelijktijdige benoeming van hemzelf en een derde tot nieuwe bestuurders. Deze vordering trof hetzelfde lot als de afgewezen uitstoting, zie ro. 4.6.2.
OK 20 december 2001, n.g (Omnifood). De enquêteprocedure eindigde met de beslissing dat het verslag van de onderzoeker ter inzage lag voor belanghebbenden, OK 28 maart 2003, ARO 2003, 68. Blijkbaar was het enquêteverslag in de uitstotingsprocedure als productie ingebracht, omdat de rechter 'de concluderende bevindingen van dit rapport' opsomde. Dit was (en is) zonder een machtiging van de voorzitter van de OK niet toegestaan, zie art. 2:353 lid 3 BW. Slechts de rechtspersoon die is onderzocht (in casu Omnifood) was bevoegd mededelingen uit het verslag te doen. Zie verder Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 789.
Hof Amsterdam 11 maart 2004, JOR 2004/190 m.nt. Bulten (Pito/Booij), eveneens besproken door Janssen, V&O 2004, p. 210-213.
De aandeelhouder Pito gaf aan dat het faillissement van de vennootschap zonder investeringen onafwendbaar was, maar meldde niet welke concrete maatregelen genomen moesten worden 'om het tij te keren' en welke investeringen nodig waren. Dit was een verschil met de situatie bij Wighers/De Jong, waar de concrete oplossing, t.w. de investering door een externe financier, voorhanden was.
Hierbij geldt, zoals het hof ook terecht opmerkte, dat Pito als houder van het meerderheidspakket in de aandeelhoudersvergadering een emissiebesluit 'er door kan duwen', aannemende dat geen gekwalificeerde meerderheid (art. 2:230 BW) vereist is. Bovendien kon de weigering van Pito om niet te investeren als Booij het ook niet doet, natuurlijk niet aan de laatste worden tegengeworpen. Zie ro. 4.11.
Vrz. Rb. Arnhem 19 september 2007, JOR 2007/266 (Grmic). De derde grond voor uitstoting was mogelijk een statutaire aanbiedings- en overdrachtsplicht ex art. 2:195a BW. De eisende aandeelhouders stelden dat het de bedoeling van partijen was geweest in een dergelijke verplichting te voorzien, maar de rechter zag dat deze plicht niet in de statuten van Grmic BV is opgenomen. Overdracht op grond van de statuten was dus niet mogelijk, zie ro. 4.1.
Het is mij niet duidelijk of de voorzieningenrechter in ro. 4.3 toetste aan de criteria voor 'normale' uitstoting of aanhaakte bij de in de jurisprudentie geformuleerde voorwaarden voor uitstoting in kort geding. De rechter stelde dat de uitstoting alleen in zeer bijzondere omstandigheden gerechtvaardigd was. Hij wees op de wetsgeschiedenis en de jurisprudentie waaruit dit zou blijken. Volgens mij is in de kort geding-jurisprudentie de verzwaring van 'zeer bijzondere omstandigheden' geformuleerd, en volgt dit niet uit de wetsgeschiedenis of jurisprudentie van de 'gewone' geschillenregeling.
Zie tot slot ook Vrz. Rb. Leeuwarden 30 juni 2010, LJN: BN 0523 (F&V Shipping). De uitstotingsvordering werd in kort geding wel beoordeeld maar afgewezen. De gewraakte handelingen door de aandeelhouder waren gepleegd in hoedanigheid van bestuurder van de vennootschap. De uitstoting gebaseerd op het functioneren als bestuurder is niet mogelijk, stelde de voorzieningenrechter in m. 5.4.
Asser-Maeijer 2411 (2000), nr. 494.
Na Wighers/De Jong is een aantal keren getracht een aandeelhouder uit de vennootschap te stoten. De vorderingen werden echter steeds afgewezen. De uitspraken zijn niettemin interessant, omdat ze voorwaarden voor de toetsing van de toepassing van de uitstoting in kort geding bevatten.
De zaak HenZon
Een eerste zaak betreft een poging uit 2002. De casus met twee aandeelhouders die in een patstelling geraken, is exemplarisch voor de in kort geding ingestelde uitstotingsvorderingen. In hoger beroep bekrachtigde het hof de afgewezen uitstoting.
De natuurlijke personen Hendriks en Zon kozen voor hun samenwerking — ieder bracht een deel van zijn eigen onderneming op het gebied van logistieke dienstverlening voor tuinbouwproducten in — voor de BV-vorm. Ze hielden ieder de helft van de aandelen en slechts één van hen, Hendriks, was bestuurder. De ander (Zon) had reeds eenmaal een lening verstrekt aan de vennootschap. Nadat bestuurder Hendriks had aangekondigd dat de vennootschap verlies zou leiden, ging alleen Zon in op het verzoek (wederom) een lening aan de BV HenZon te verstrekken, om 'de salarissen van het personeel te kunnen voldoen'. Hendriks weigerde een dergelijk krediet te geven, maar was wel bereid om zijn aandelenpakket over te dragen aan Zon. De door Zon voorgestelde (symbolische) waarde van € 1 was voor Hendriks onacceptabel. Zon stelde vervolgens in kort geding de uitstotingsvordering in, maar kreeg in eerste instantie en in hoger beroep nul op het rekest.1
Net als de voorzieningenrechter achtte het hof zich bevoegd van de vordering ex art. 254 Rv kennis te nemen. De aard van de vordering en het bestaan van een wettelijke geschillenregeling — welke regeling in art. 2:336 lid 3 BW de rechtbank als bevoegde rechter aanwijst — noopten wel tot een terughoudend gebruik van de bevoegdheid van de kort gedingrechter, aldus het hof. In dit verband speelden ook de verstrekkende gevolgen een rol.
Het hof onderzocht vervolgens of aan de vereisten voor het toepassen van de uitstoting was voldaan. Ten eerste was van een statutaire regeling niet gebleken, zodat art. 2:337 BW aan de ontvankelijkheid niet in de weg stond. Blijkbaar was in een overeenkomst, zoals de aanwezige aandeelhoudersovereenkomst, ook niet sprake van een conflictoplossende bepaling. Ook de tweede voorwaarde, Zon diende een derde van de aandelen in de BV te houden (art. 2:336 lid 1 BW), werd vervuld. Vervolgens kwam het hof toe aan een inhoudelijke beoordeling en toetste het of er in casu voldaan werd aan de grond voor uitstoting: werd het belang van de vennootschap zodanig geschaad dat het aandeelhouderschap van Hendriks in redelijkheid niet langer kon worden geduld? De grondslag voor Zon's vordering lag in de weigering van Hendriks om (eveneens) een overbruggingsfinanciering te verstrekken. Een regeling in der minne was evenmin met hem te treffen, betoogde Zon.
Deze gedragingen rechtvaardigden volgens het hof een uitstoting niet. Uit de feiten bleek niet dat sprake was van een absolute weigering tot aanvullende kredietverlening. De voorwaarde van Hendriks dat de BV moest reorganiseren was in dit verband onbegrijpelijk noch onredelijk. Bovendien hadden partijen niet vastgelegd dat zij op gelijke voeten dienden bij te dragen in de fmanciering. Zon en Hendriks verschilden slechts van opvatting over de wijze waarop de BV uit de rode cijfers moest komen. Dit bracht echter niet mee dat voorshands sprake was van verwijtbaar gedrag van Hendriks. Van belang was voorts dat Hendriks gemotiveerd verweer voerde en wees op diverse factoren die in de invloedssfeer van Zon lagen die tot de negatieve resultaten zouden hebben geleid.2 Het was volgens de rechter voldoende aannemelijk dat deze gedragingen van Zon ten minste invloed hebben gehad op de huidige deplorabele toestand van de BV.
Na afweging van de belangen van partijen en van de vennootschap luidde de begrijpelijke slotsom dat de ingrijpende voorziening van uitstoting niet de aangewezen oplossing was.3
De zaak Pito/Booij
De weigering van een aandeelhouder om in een aandelenemissie te participeren en zo extra financiële middelen ter beschikking te stellen aan de vennootschap, was eveneens onvoldoende reden voor zijn uitstoting. Dit laat zich illustreren aan de hand van een andere casus, de zaak Pito/Booij.
De verhouding tussen de twee aandeelhouders van Omnifood BV was op enig moment ernstig verstoord. Aandeelhouder Booij (houder van een derde van de aandelen) wantrouwde de andere (groot)aandeelhouder Pito en de bestuurder Verhoeff. Laatstgenoemden hadden samen een vennootschap opgericht met nagenoeg dezelfde naam (Omnifood Trading BV) en gevestigd op hetzelfde adres. Booij vermoedde dat de financieringsproblemen bij Omnifood te maken hadden met deze nevenvennootschap, maar hem werd relevante informatie onthouden. Zijn enquêteverzoek werd door de OK toegewezen, maar een beproefde minnelijke regeling kwam uiteindelijk niet tot stand.4 Pito wilde dat de aandeelhouders meer zouden investeren door de uitgifte van nieuwe aandelen. Booij weigerde zulks, waarop Pito in kort geding zijn uitstoting vorderde. Het hof bekrachtigde het afwijzend vonnis van de voorzieningenrechter, zij het met een uitgebreidere motivering.5
Het hof stelde voorop dat uitstoting (art. 2:336 BW) bij wijze van voorlopige voorziening gerechtvaardigd kon zijn, indien er sprake was van een spoedeisende situatie en na afweging van de in aanmerking komende belangen. Eiser Pito meende dat spoed geboden was omdat de vennootschap bij gebreke van een nadere financiële injectie failliet zou gaan. De gedaagde aandeelhouder Booij bestreed deze visie op de financiële situatie echter gemotiveerd. Dit noopte de rechter te concluderen dat er voorshands niet van uit kon worden gegaan dat de vennootschap in een noodsituatie verkeerde en een faillissement onafwendbaar was.6 Nu aan het vereiste van spoedeisendheid niet was voldaan, was uitstoting in kort geding in dit geval niet gerechtvaardigd. Ten overvloede wijdde het hof een aantal overwegingen aan het antwoord op de vraag of de gedragingen van Booij tot uitstoting aanleiding zouden hebben gegeven. De weigering van Booij om niet in te tekenen op een aandelenuitgifte en zo niet mee te werken aan dergelijke extra financiering kon niet zonder meer leiden tot de conclusie dat zijn aandeelhouderschap niet langer zou kunnen worden geduld.7 De tweede weigering van Booij — het niet vrijwillig overdragen van zijn aandelen tegen een prijs die ver onder de aankoopprijs lag — was evenmin een gedraging die het belang van de vennootschap schaadt, zoals art. 2:336 lid 1 BW vereist. Tot slot waren de ontstane conflictsituaties en de opmerking van de enquêteur dat 'de vicieuze cirkel uitsluitend doorbroken kan worden indien partijen uit elkaar gaan' niet enkel aan te merken als gedragingen van Booij.
De zaak Grmic
Tot slot werd in 2007 zonder succes getracht een aandeelhouder die zijn managementovereenkomst met de vennootschap had opgezegd, in kort geding tot overdracht van zijn aandelen te bewegen.
Wederom was de BV een samenwerkingsvehikel; de drie aandeelhouders vormden samen het bestuur van Grmic BV en hadden allen een managementovereenkomst met de vennootschap. Aan de samenwerking kwam een abrupt einde toen Laudij (houder van een 10%-aandelenpakket) de managementovereenkomst opzei en zijn positie in het bestuur prijsgaf. De twee andere aandeelhouders vorderden zijn uitstoting, omdat de managementovereenkomst onlosmakelijk aan het aandeelhouderschap was verbonden en in casu de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW een overdrachtsverplichting met zich brachten.8
De voorzieningrechter concludeerde dat voor overdracht met toepassing van art. 2:336 lid 1 BW, onvoldoende grond was.9 De opzegging van de managementovereenkomst noch de weigering de aandelen vrijwillig over te dragen, waren aan te merken als handelingen of gedragingen die het belang van de vennootschap in de zin van art. 2:336 lid 1 BW schaden. De voorzieningenrechter merkte nog op dat de eisende aandeelhouders 90% van de aandelen hielden en de besluitvorming in de vennootschap in alle opzichten ongestoord kon plaatsvinden. Er zou geen sprake zijn van hinderlijke vertraging of verlamming door toedoen van aandeelhouder Laudij met zijn kleine pakket.10
De redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW rechtvaardigden ook niet een zelfstandige grond voor uitstoting, aldus de rechter. Er bestaat reeds een specifieke wettelijke uitstotingsbepaling. De rechter hield de deur wel open met de overweging dat 'slechts in uitzonderlijke omstandigheden een beroep op voormeld artikel kan worden gedaan'. Met Maeijer ben ik van mening dat de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW niet een afzonderlijke grond voor uitstoting kunnen vormen.11 Tot directe uitstoting kan art. 2:8 BW, gezien de huidige wettekst van art. 2:336 lid 1 BW, mijns inziens echter niet leiden.